|
Absolute, Het. Een term die helaas vaak verkeerd wordt gebruikt en ook wordt misbruikt, zelfs in theosofische geschriften. Het is in de westerse wijsbegeerte een gangbaar woord waarmee het volstrekt onvoorwaardelijke wordt aangeduid; maar dit gebruik doet de etymologie van het woord geweld aan, en is ook in strijd met de wijze waarop sommige scherpzinnige en nauwlettende denkers zich ervan bedienen, zoals bijvoorbeeld Sir W. Hamilton in zijn Discussions, derde druk, blz. 13, voetnoot, die het woord 'Absoluut' op de juiste wijze blijkt te gebruiken, zoals theosofen zouden moeten doen, en wel in de betekenis van 'voltooid', 'volmaakt', 'volledig'. Sir W. Hamilton merkt op: 'Het Absolute staat lijnrecht tegenover en is het tegengestelde van het Oneindige' (zie aldaar). Deze laatste uitspraak is juist, en in zorgvuldig opgestelde theosofische geschriften zou het woord 'Absoluut' moeten worden gebruikt zoals Sir W. Hamilton dat doet, nl. in de betekenis van dat wat is bevrijd, losgemaakt, volmaakt, voltooid. Het woord 'Absoluut' is de Nederlandse vorm, afgeleid van het Latijnse absolutum, dat 'bevrijd', 'losgemaakt' betekent, en is daarom een nauwkeurig Nederlands equivalent van de filosofische Sanskrietterm moksha of mukti, en in meer mystieke zin van de Sanskrietterm die algemeen in boeddhistische geschriften wordt aangetroffen, nirvâ.na - een buitengewoon diepzinnige en mystieke gedachte. 'Het Absolute' wordt misschien voor Parabr ahman gebruikt door westerlingen die noch de betekenis kennen van de term 'Parabrahman' noch de etymologie, de oorsprong en het juiste gebruik van het Nederlandse woord 'Absoluut'-het 'juiste' gebruik, dus niet zoals het gewoonlijk wordt gebezigd. Strikt genomen zou de term het 'Absolute' alleen moeten worden gebruikt voor wat de Hindoese filosoof verstaat onder moksha of mukti of een mukta - d.w.z. iemand die mukti of vrijheid heeft verworven: iemand die het toppunt of summum heeft bereikt van alle evolutie die binnen een bepaalde hiërarchie mogelijk is, al is zo'n jîvanmukta, vergeleken met nog verhevener hiërarchieën, slechts een beginneling. De Stille Wachter in de theosofische wijsbegeerte is een treffend voorbeeld van iemand die 'Absoluut' kan worden genoemd in de meest strikte zin van het woord. Het is duidelijk dat de Stille Wachter niet Parabrahman is. (Zie ook MOKSHA, RELATIVITEIT). Achtste Sfeer of Planeet van de Dood. Een term, gebruikt in het meer esoterische of innerlijke deel van de leringen waarover weinig kan worden gezegd, want dit gedeelte van de leer is altijd verborgen gebleven achter een dichte sluier van geheimhouding en stilzwijgen. De term wordt vaak verward met avîchi (zie aldaar), maar dat is onjuist omdat de twee begrippen, hoewel ze nauw met elkaar samenhangen, niettemin geheel verschillend zijn. Terwijl avîchi een toestand is waarin zeer slechte menselijke wezens 'sterven en zonder onderbreking opnieuw worden geboren', maar niet zonder hoop op een uiteindelijke verlossing - iets dat in het geval van zeer slechte of zielloze mensen zelfs op ons stoffelijk gebied kan plaatsvinden - vertegenwoordigt de Achtste Sfeer een veel verder gaande graad van psychomentale degeneratie. Zoals zojuist al is te kennen gegeven, bestaat zelfs in avîchi de mogelijkheid opnieuw door de straal van de geestelijke monade te worden bezield; terwijl in de Achtste Sfeer of Planeet van de Dood deze mogelijkheid voorgoed verdwijnt en het wezen dat tot de Plane et van de Dood is gezonken, is wat in de Esoterische Wijsbegeerte een 'verloren ziel' wordt genoemd. In de Achtste Sfeer worden de verloren zielen telkens weer in het laboratorium van de natuur vermalen en worden ze uiteindelijk in hun samenstellende psycho-astrale bestanddelen of levensatomen verstrooid. De Achtste Sfeer of Planeet van de Dood is een werkelijk bestaande bol. Het is natuurlijk ook een toestand van zijn; terwijl avîchi bijna uitsluitend een toestand is waarin een entiteit kan verkeren, hoewel het duidelijk is dat deze entiteit een positie of plaats moet innemen en zich dus ergens in de ruimte moet bevinden - op onze aarde of elders. Adept. Dit woord betekent iemand die 'kundig' is; daarom zijn zelfs in ons dagelijks leven een scheikundige, een geneesheer, een theoloog, een werktuigkundige, een ingenieur, een leraar in talen en een sterrenkundige allen 'Adepten', personen die 'deskundig' zijn, ieder in zijn eigen beroep. In de theosofische literatuur is een 'Adept' echter iemand die deskundig is in de Esoterische Wijsheid, in de leringen van het leven. Agnishwâtta's. (Sanskriet). Een samenstelling van twee woorden: agni, 'vuur'; shwâtta, 'geproefd', of 'verzacht', van de wortel svad, die 'proeven' of 'verzachten' betekent. Dus letterlijk: iemand die bekoord of verzacht is door het vuur. Een klasse van Pit.ri's: onze zonnevoorouders, in tegenstelling met de Barhishads, onze maanvoorouders. De Kumara's, Agnishwâtta's en Mânasaputra's zijn drie groepen of aspecten van dezelfde wezens: de Kumara's vertegenwoordigen het aspect van oorspronkelijke geestelijke zuiverheid, onberoerd door grofstoffelijke elementen. De Agnishwâtta's vertegenwoordigen het aspect van binding met de zon of het geestelijke zonnevuur. Daar zij hebben geproefd van of zijn 'verzacht' door het geestelijk vuur - het vuur van het verstandelijke en het geestelijke - zijn zij daardoor gelouterd. De Mânasaputra's vertegenwoordigen het aspect van het verstandelijk vermo gen - de functies van het hogere intellect. De Agnishwâtta's en Mânasaputra's zijn twee namen voor dezelfde klasse of schare van wezens, en duiden op of vertegenwoordigen twee verschillende aspecten of activiteiten van deze ene klasse van wezens. Men zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat een mens een Kumara Is in zijn geestelijke delen, een Agnishwâtta in zijn buddhisch-manasische delen en een Mânasaputra in zijn zuiver manasisch aspect. Andere wezens, zoals bijvoorbeeld de dieren, zou men in hun hoogste aspecten Kumara's kunnen noemen, maar ze zijn geen belichaamde Agnishwâtta's of Mânasaputra's. De Agnishwâtta's zijn onze solaire geestelijk-verstandelijke delen en zijn daarom onze innerlijke leraren. In voorgaande manvantara's hebben zij hun evolutie in de stoffelijke gebieden voltooid, en toen de evolutie van de lagere wezens deze in de juiste toestand had gebracht, kwamen de Agnishwâtta's deze wezens, die alleen het fysieke 'scheppende vuur' bezaten, te hulp en zij inspireerden en verlichtten deze lagere Maan-Pit.ri's met geestelijke en verstandelijke energieën of 'vuren'. Als de planeetketen van deze aarde het einde van haar zevende ronde zal hebben bereikt, zullen wij, daar we dan de evolutionaire loop van deze planeetketen hebben volbracht, deze keten verlaten als Dhyân-Chohans, Agnishwâtta's; maar de andere, die nu achter ons aan komen - de huidige dieren - zullen de Maan Pit.ri's van de volgende planeetketen zijn. Hoewel het juist is te zegg en dat deze drie namen op dezelfde klasse van wezens betrekking hebben, heeft niettemin elke naam in de occulte leer zijn eigen waarde en daarom worden de drie namen met drie verschillende betekenissen gebruikt. Stel u een onbewuste godsvonk voor aan het begin van zijn evolutie in een zonne- of mahâ-manvantara. We kunnen hem een Kumara noemen, een wezen van oorspronkelijke geestelijke zuiverheid, maar met een bestemming die door karmische evolutie is verbonden met de gebieden van de stof. Aan het ande re einde van de lijn, bij de voltooiing van de evolutie in deze mahâ-manvantara, wanneer het evoluerende wezen een volledig zelfbewuste god of godheid is geworden, is zijn juiste benaming Agnishwâtta, want hij is 'verzacht' of gelouterd doordat de geestelijke vuren die inherent zijn aan zijn wezen, in hem werken. Welnu, wanneer zo'n Agnishwâtta de rol op zich neemt van 'brenger van het denkvermogen' of van het intellectuele licht aan een Maan-Pit.ri, die hij overschaduwt en waarin een stra al van hem incarneert, dan werkt hij, hoewel hij op zijn eigen gebied een Agnishwâtta is, als een Mânasaputra of een kind van het denkvermogen of van Mahât. Het is misschien nuttig een korte analyse te geven van de samenstellende elementen van deze drie namen. Kumara komt van 'ku' en 'mara'; ku betekent 'met moeite' en mara 'sterfelijk'. De betekenis van dit woord kan daarom worden weergegeven als 'met moeite sterfelijk', en de betekenis die Sanskrietgeleerden er doorgaans aan toekennen, ' gemakkelijk stervend', is volkomen exoterisch en vermakelijk, en is zonder twijfel ontstaan uit het feit dat Kumara een veel gebruikt woord is voor 'kind' of 'jongen', en iedereen weet dat jonge kinderen 'gemakkelijk sterven'. De gedachte is dus dat zuiver geestelijke wezens, hoewel uiteindelijk bestemd om door evolutie door de stoffelijke gebieden heen te gaan, slechts met moeite sterfelijk, d.w.z. stoffelijk worden. Agnishwâtta heeft de hierboven aangegeven betekenis van 'bekoord', 'behaagd' of 'ver zacht', d.w.z. 'gelouterd' door vuur - wat we op twee manieren kunnen uitleggen: als het vuur van lijden en smart in het materiële bestaan, dat leidt tot grote geestkracht en karaktersterkte, d.w.z. spiritualiteit; of, vanuit het standpunt van het occultisme misschien nog beter, als een aanduiding van (een entiteit of) entiteiten die door evolutie innerlijk één zijn geworden met het etherische vuur van de geest. Mânasaputra is samengesteld uit twee woorden: mânasa, 'mentaal' o f 'intellectueel', van het woord manas, 'denkvermogen', en putra, 'zoon' of 'kind', vandaar een kind van het kosmisch denkvermogen - een 'uit geest geboren zoon', zoals H. P. Blavatsky het uitdrukt. (Zie PIT.RI'S en MAAN-PIT.RI'S). Ahankâra. (Sanskriet). Een samengesteld woord: Aham, ik; kara, 'maker' of 'doener', van de wortel k.ri, 'doen', 'maken'; ikheid, persoonlijkheid. Het egoische en mayavische beginsel in de mens, geboren uit onwetendheid of avidya, dat het begrip 'ik' voortbrengt als iets dat verschilt van het universele Ene Zelf. Âkâs´a. (Sanskriet). Het woord betekent 'schitterend', 'schijnend', 'lichtgevend'. Het vijfde kosmische element, de vijfde essentie of 'kwintessens', door de oude Stoïcijnen aether genoemd; het is echter niet de ether van de wetenschap. De ether van de wetenschap is slechts een van zijn lagere bestanddelen. In de Brahmaanse geschriften wordt Âkâs´a gebruikt voor wat de noordelijke Boeddhisten swabhavat noemen, in meer mystieke zin Âdi-buddhi - 'oorspronkelijke buddhi'; het is ook Mulaprakriti, de kosmische geest-substantie, het reservoir van het Zijn en van de wezens. Het Hebreeuwse Oude Testament verwijst ernaar als de kosmische 'wateren'. Het is universele en substantiële ruimte; ook, in mystieke zin, Alaya. (Zie MULAPRAKRITI en ALAYA). Alaya. (Sanskriet). Een samengesteld woord: a, 'niet'; laya, van de wortel lî, 'oplossen'; dus 'het onoplosbare'. De universele ziel; de basis, wortel of bron van alle wezens en dingen - het heelal, de goden, de monaden, de atomen, enz. In mystiek opzicht identiek met Âkâs´a in zijn hoogste bestanddelen, en met het wezen van Mulaprakriti als 'Wortelvoortbrenger' of 'Wortel-natuur'. (Zie ÂKAS´A en MULAPRAKRITI) . Antaskara.na. (Sanskriet). Wellicht beter gespeld als antahkara.na. Een samengesteld woord: antar, 'innerlijk', 'van binnen'; kara.na, zintuig. Occultisten ken nen aan dit woord de betekenis toe van de brug tussen de hogere en lagere manas of tussen de geestelijke ego en de persoonlijke zie van de mens. Zo luidt de definitie van H. P. Blavatsky. In werke lijkheid zijn er verschillende Antahkara.na's in de zevenvoudig constitutie van de mens - één voor elk pad of elke brug tusse elke twee van de vele monadische centra in de mens. De mens is een microkosmos en daarom een samengesteld geheel, een eenheid in verscheidenheid; en de antahkara.na's vormen de schakels van vibrerende bewustzijnssubstantie die deze verschillende centra met elkaar verbinden. Anupapâdaka. Een samengestelde Sanskrietterm waarvan de juiste ontleding an-upa-padaka is: an, een ontkennend voorvoegsel, betekent 'niet'; upa 'overeenkomstig' of 'gelijkenis'; en padaka, van de wortel pad, 'vallen', 'naar omlaag bewegen' of 'gaan naar'. De combinatie van deze woorden roept het mystieke beeld op van 'iemand die niet, zoals anderen, valt of neerdaalt'. Het is een term die in het Boeddhisme wordt gebruikt voor een klasse van hemelse wezens die Dhyâni Boeddha's worden genoemd; en omdat men zich voorstelt dat deze Dhyâni-Boeddha's zonder tussenschakel voortkomen uit de schoot van Âdi-buddhi of het kosmische Mahât, zegt men dat ze in mystieke zin 'ouderloos' of 'zelfbestaand' zijn, zoals H.P.Blavatsky het uitdrukt, d.w.z. geboren zonder ouders of voorgeslacht. Ze zijn daarom de oorsprong of wortel waaruit de hiërarchie van Boeddha's van verschillende graad in mystieke opeenvolging , emanatie of evolutie, voortkomt. Er bestaan in de Sanskrietliteratuur varianten op dit woord, maar ze hebben alle dezelfde betekenis. De term Anupapâdaka is feitelijk een sleutel tot een leer die buitengewoon moeilijk uiteen te zetten is; maar de leer zelf is onuitsprekelijk verheven. Er zijn inderdaad niet alleen Anupapâdaka-godheden van het zonnestelsel, maar ook van iedere organische entiteit, want in diepste wezen is iedere organische entiteit een Anupapâdaka-godheid. In feite is het een zeer mystieke manier om de leer aan te duiden van de 'innerlijke god' (zie aldaar). Arûpa. (Sanskriet). Een samengesteld woord dat 'vormloos' betekent; maar dit woord 'vormloos' moet men niet in die strikte zin opvatten dat het betekent dat er geen vorm, van welke aard ook, bestaat; het betekent alleen dat de vormen in de geestelijke werelden (de Arûpa-loka's) van een geestelijke soort of geestelijk van aard zijn, en natuurlijk veel etherischer dan de 'vormen' van de Rûpa-loka's (Zie RÛPA). Daarom moet men in de Arûpa-loka's, of de geestelijke werelden, sferen of gebieden, zich het voertuig of lichaam van een entiteit veeleer voorstellen als een omhulsel van energetische substantie. We kunnen ons een wezen indenken wiens 'vorm' of 'lichaam' geheel uit elektrische substantie bestaat - zoals inderdaad met ons eigen lichaam het geval is volgens de ultramoderne wetenschap. Maar zo'n wezen met een elektrisch lichaam, hoewel beslist tot de Rûpa-werelden behoren d, en wel tot een van de laagste Rûpa-werelden, zou, vergeleken met onze eigen grofstoffelijke lichamen, ons onlichamelijk of vormloos toeschijnen. Âsana. Een Sanskrietwoord, afgeleid van de wortel as, die 'rustig zitten' betekent. Âsana is dus een technische aanduiding van een van de bijzondere houdingen die door Hindoe-asceten worden aangenomen, voornamelijk die van de Ha.tha-yoga school. Gewoonlijk worden vijf van deze houdingen vermeld, maar er zijn er bijna negentig opgetekend door hen die dit onderwerp hebben bestudeerd. Een groot deel van de pseudomagische en mystieke literatuur is gewijd aan deze verschillende houdingen en daarmee samenhangende onderwerpen, en aan hun vermeende of werkelijke psychologische waarde wanneer ze door aanhangers worden aangenomen; maar heel veel van deze geschriften is in feite oppervlakkig en heeft maar weinig met de werkelijk occulte en esoterische training van ware occultisten te maken. Het doet onwillekeurig denken aan andere pseudomystieke praktijken, zoals bijvoorbeeld bepaalde wijzen van knielen of bepaalde houdingen in de eredienst van de Christelijke kerk, waaraan door fanatieke gelovigen soms bijzondere waarde wordt toegekend. Als ervoor wordt gezorgd dat het lichaam zich in een gemakkelijke houding bevindt, zodat de geest zo min mogelijk wordt afgeleid, kan iedere ernstige beoefenaar gemakkelijk en met succes tot echte meditatie en tot geestelijke en daadwerkelijke introspectie komen, zonder ook maar enige aandacht aan deze verschill ende houdingen te besteden. Men kan rustig in zijn stoel zitten of 's nachts in zijn bed liggen, of op het gras in een bos zitten of liggen, en toch gemakkelijker de innerlijke werelden betreden dan door een of meer van deze verschillende Âsana's aan te nemen en na te volgen, die op hun best fysiologische hulpmiddelen van betrekkelijk geringe waarde zijn (Zie SAMÂDHI). Asat. (Sanskriet) . Een Sanskrietterm die het 'onwerkelijke' betekent, of het gemanifesteerde heelal; in tegenstelling met Sat (zie aldaar), het Werkelijke. In een andere en nog meer mystieke zin betekent Asat zelfs boven of hoger dan Sat, dus Asat-'niet Sat'. In deze betekenis, die hoogst occult en mystiek is, is Asat de niet ontplooide of beter ongemanifesteerde natuur van Parabrahman - veel hoger dan Sat, dat de Werkelijkheid van het gemanifesteerde bestaan is. Âs´rama. (Sanskriet). Een woord dat is afgeleid van de wortel s´ram, die 'pogingen doen' of 'streven' betekent; met het voorvoegsel â krijgt de wortel s´ram in dit geval een grotere nadruk. Âs´rama heeft minstens twee hoofdbetekenissen. De eerste is die van een internaat of school of een hermitage, een verblijfplaats van asceten, enz.; de tweede die van een periode van pogen of streven in het religieuze leven of in de loopbaan van een Brâhma.na [Ned.-Brahmaan] in vroeger dagen. In Hindoestan bestonden er in oude tijden vier van deze levensperioden: de eerste was die van de leerling of Brahmachârin; de tweede was de levensperiode van de G.rihastha, of het gezinshoofd - de periode van het huwelijksleven waarin de Brâhma.na de plichten van het dagelijks leven vervulde, enz.; de derde de Vânaprastha, of periode van kloosterlijke afzondering, die gewoonlijk in een vana, een woud of bos werd doorgebracht, en innerlijke overpeinzing en geestelijke meditatie ten doel had; en de vierde was die van de Bhikshu of religieuze bedelmonnik, iemand die volledig afstand heeft gedaan van de verstrooiingen v an het wereldse leven en zijn aandacht geheel op geestelijke zaken heeft gericht. Brahmâs´rama. In de moderne esoterische of occulte literatuur wordt de samengestelde term Brahmâs´rama nu en dan gebruikt om een inwijdingskamer of een geheim vertrek of adytum aan te duiden, waarin de initiant of neofiet ernaar streeft, of pogingen doet, een te worden met Brahman of de innerlijke god. Astraal Lichaam. Dit is de gebruikelijke benaming voor het 'modellichaam', het linga-sarîra (zie aldaar). Het is maar weinig minder materieel dan het stoffelijk lichaam en is in feite het model of raam waaromheen het stoffelijk lichaam is opgebouwd, en waaruit dit stoffelijk lichaam in zekere zin voortvloeit of zich ontwikkelt naarmate het groeiproces vordert. Het is het voertuig van prâ.na of de levensenergie en is daarom het reservoir van alle energieën die uit de hogere delen van de menselijke constitutie neerdalen door middel van de prâ.nische stroom. Het astrale licha am is er eerder dan het stoffelijk lichaam en is het patroon waarnaar het stoffelijk lichaam, atoom voor atoom, slaafs wordt gevormd. Het stoffelijk lichaam kan in zekere zin de neerslag, de droesem of het bezinksel van het astrale lichaam worden genoemd; het astrale lichaam op zijn beurt is slechts een neerslag van het Aurisch Ei (zie aldaar). Astraal Licht. Het Astrale Licht is voor onze aardbol, en op analoge wijze voor ons zonnestelsel, wat het linga-sarîra is voor een mens. Zoals in de mens het linga-sarîra of het astrale lichaam het voertuig of de drager is van prâ.na of de levensenergie, zo is het Astrale Licht de drager van het kosmische jîva of de kosmische levensenergie. Voor ons mensen is het een onzichtbaar gebied dat onze aarde omgeeft, zoals H. P. Blavatsky het uitdrukt, en dat trouwens ook iedere andere stoffelijke bol omringt; en van de zeven kosmische beginselen is het, op het stoffelijk heelal na, het meest materiële. Het Astrale Licht is daarom ene rzijds de voorraadschuur of opslagplaats van alle energieën van de kosmos op hun weg omlaag, om zich te manifesteren in de stoffelijke gebieden - zowel van ons zonnestelsel in het algemeen als van onze bol in het bijzonder; en anderzijds is het de vergaarplaats of het magazijn van alles wat het stoffelijk gebied verlaat op zijn weg omhoog. In de derde plaats is het een kosmische 'beeldengalerij', of een onuitwisbaar register waarin alles wordt vastgelegd wat er op de astrale en stoffelijke gebieden pla atsvindt; maar dit laatste aspect van de functies van het Astrale Licht is het minst belangrijke en belangwekkende. Het Astrale Licht van onze eigen bol, en naar analogie van iedere andere stoffelijke bol, is het gebied van kâma-loka, tenminste voor zover het de tussenliggende en lagere delen van kâma-loka betreft; en alle wezens die sterven gaan op hun weg omhoog door het Astrale Licht heen, en verliezen of ontdoen zich in het Astrale Licht van het kâma-rûpa bij de tweede dood. Het zonnestelsel heeft zijn eigen algemene Astrale Licht, zoals iedere bol in het universele zonnestelsel zijn speciale Astrale Licht heeh, dat in al deze laatste gevallen een verdichting, verstoffelijking of verharding rondom de bol is van de algemene astrale substantie die het Astrale Licht van het zonnestelsel vormt. Strikt genomen is het Astrale Licht eenvoudig de droesem of neerslag van Âkâs´a, en bestaat het uit graden of fasen van toenemende ijlheid. Hoe dichter het een bol omgeeft, hoe grover en stoffelijker het is. Het is de vergaarplaats van alle weerzinwekkende en afschuwelijke emanaties van de aarde en van aardse wezens, en is daarom voor een deel door aardse uitwasemingen vervuild. Er heeft tijdens de hele zonnemanvantara een voortdurende uitwisseling plaats tussen het Astrale Licht en onze aardbol, die wederkerig geven en ontvangen. Tenslotte is het Astrale Licht met betrekking tot de stoffelijke gebieden van het zonnestelsel een kopie of weerspiegeling van wat het Âkâs´a is in de geestelijke gebieden. Het Astrale Licht is de moeder van het stoffelijke, zoals de geest de moeder is van het Âkâs´a; of omgekeerd, het stoffelijke is slechts een verdichting van het astrale, zoals het Âkâs´a de sluier of verdichting is van het meest geestelijke. In werkelijkheid zijn het astrale en het stoffelijke één, zoals ook het akasische en het geestelijke één zijn. Astrologie. De astrologie van de Ouden was werkelijk een grootse en edele wetenschap. Het woord betekent de 'wetenschap van de hemellichamen'. De moderne Astrologie is slechts het armzalige uiterlijke overblijfsel van de ware, aloude Astrologie; want deze werkelijk verheven wetenschap was de leer van de oorsprong, de aard, het bestaan en de bestemming van de solaire en planetaire lichamen en van de wezens die erop wonen. Ze onderwees ook de kennis omtrent de onderlinge relaties van de delen van de kosmische natuur, en meer in het bijzonder in hun toep assing op de mens en zijn door de hemelbollen voorspelde bestemming. Uit deze grootse en edele wetenschap ontstond een exoterische pseudo-wetenschap, die voortvloeide uit de praktijken in Azië en de landen rond de Middellandse Zee, en die resulteerde in het moderne stelsel dat 'Astrologie' heet - een ontluisterd overblijfsel van de Oude Wijsheid. De ware archaïsche Astrologie was inderdaad een van de onderdelen van de oude mysteriën en werd in de oude mysteriescholen tot in de perfectie bestu deerd. Ze genoot in de gehele oudheid de onverdeelde bijval en toewijding van de edelste mensen en de grootste wijzen. In plaats van zich te beperken tot een systeem dat praktisch geheel op bepaalde takken van de wiskunde is gebaseerd, zoals de moderne zogenaamde Astrologie doet, behoorden in archaïsche tijden de voornaamste leringen die de Astrologie toen kende tot de transcendentale metafysica, die zich bezighield met de grootste en diepzinnigste problemen betreffende het heelal en de mens. In de arc haïsche Astrologie werden de hemellichamen van het stoffelijk heelal niet enkel beschouwd als lichamen die de tijd aangaven of onderling vage relaties van psychomagnetische aard vertoonden - hoewel dat stellig juist is - maar ook als de voertuigen van stellaire geesten, schitterende en levende goden, wier bestaan en kenmerkende eigenschappen hen individueel en gezamenlijk tot de bestuurders en uitvoerders van het lot maakten. As´wattha. (Sanskriet). De mystieke Boom der Kennis, de mystieke Boom van het Kosmische Leven en Zijn, voorgesteld als een boom die omgekeerd groeit met takken die zich naar beneden en wortels die zich naar boven uitstrekken. De takken symboliseren het zichtbare kosmische heelal, de wortels de onzichtbare wereld van de geest. Voor het schilderen of afbeelden van het heelal werd door veel oude volkeren gebruik gemaakt van het symbool van een boom, waarvan de wortels aan het goddelijk hart der dingen ontsprongen en de stam, de takken, de twijgen en de bladeren, de v erschillende gebieden en werelden en sferen van de kosmos voorstelden. De vruchten van deze Kosmische Boom bevatten de zaden van toekomstige 'Bomen', die de entiteiten waren die door de evolutie het einde van hun ontwikkelingsgang hadden bereikt, zoals mensen en goden, zelf heelallen in het klein, en bestemd om in de toekomst kosmische entiteiten te worden, als het wentelend wiel van de tijd zich aeonen lang in zijn majestueuze rondgang zal hebben voortbewogen. In feite zijn alle levende dingen, ook de zoge naamde onbezielde dingen, levensbomen waarvan de wortels zich boven in de geestelijke rijken bevinden, de stammen door de tussenliggende sferen heengaan en de takken zich in de stoffelijke gebieden manifesteren. Âtman. (Sanskriet). De wortel van Âtman is nauwelijks bekend; de oorsprong ervan is onzeker, maar de algemene betekenis is die van zelf: Het hoogste deel van de mens - het Zelf; zuiver bewustzijn per se. De wezenlijke en fundamentele kracht of het vermogen in de mens dat hem, en in feite ieder ander wezen of ding, het besef of bewustzijn geeft een Zelf te zijn. Het is niet de ego. Dit beginsel (Âtman) is universeel; maar tijdens de incarnatie nemen de lagere delen ervan eigenschappen aan, omdat het verbonden is met buddhi, zoals buddhi is verbonden met manas, zoals manas is verbonden met kâma, en zo verder omlaag langs de schaal. Âtman wordt soms ook voor het universele Zelf of de universele Geest gebruikt, waaraan in Sanskrietgeschriften de naam Brahman (onz ijdig) wordt gegeven, en Brahman of de universele Geest wordt ook Paramâtman genoemd. De mens is door drie beginselen in de hem omringende kosmos geworteld, waarvan moeilijk kan worden gezegd dat ze boven het eerste of Âtman staan, maar die eigenlijk de hoogste en meest verheven delen van datzelfde Âtman zijn. De meest innerlijke schakel met het Onuitsprekelijke werd in het oude India met de term ZELF aangeduid, die vaak verkeerd is vertaald met 'Ziel'. Het Sanskrietwoord is Âtman, en slaat in de psychologie op de menselijke entiteit. Het boveneinde van de schakel, bij wijze van spreken, werd Paramâtman genoemd, of 'Boven-Zelf', d.w.z. het permanente ZELF - woorden, die voor hen die deze prachtige filosofie hebben bestudeerd, op korte en bondige wijze iets beschrijven van de aard en de essentie van het wezen dat de mens is en van de bron waaruit hij in de beginloze en eindloze Duur is voortgesproten. Als kind van hemel en aarde liggen beide in hem besloten. We zeggen dat het Âtman universeel is en dat is ook zo. Het is het universele Zelf, dat gevoel of bewustzijn van het zelf dat in alle menselijke wezens en zelfs in alle lagere wezens van de hiërarchie, ja zelfs in die van het dierenrijk beneden ons, hetzelfde is, dat vaag waarneembaar is in de plantenwereld en dat zelfs in de mineralen latent aanwezig is. Het is het zuivere kennen, de abstracte idee van het ZELF. Het vertoont in de gehele hiërarchie geen verschillen, behalve in graad van zelfbesef. Hoewel het universeel is, behoort het (voor zover het ons in ons huidige evolutiestadium betreft) tot het vierde kosmische gebied, al is het ons zevende beginsel van onderaf geteld. Atoom. Het woord Atoom is afkomstig van de oude Griekse filosofen Democritus, Leucippus en Epicurus en van de honderden grote mannen die in dit opzicht hun voorbeeld volgden en die daarom eveneens 'Atomisten' waren - zoals bijvoorbeeld de twee Latijnse dichters Ennius en Lucretius. Deze school leerde dat Atomen de bouwstenen van het heelal zijn, want in de oorspronkelijke etymologische betekenis van het woord betekent Atoom iets dat niet doorgesneden of gedeeld kan worden en dat daarom gelijkwaardig is aan deeltjes van dat wat theosofen homogene substantie noemen. Maar de moderne geleerden gebruiken het woord Atoom niet meer in deze betekenis. Vroeger kwam de orthodox-wetenschappelijke leer betreffen de het Atoom in wezen overeen met die welke door Dalton werd verkondigd, en die er in het algemeen op neerkwam dat stoffelijk atomen harde kleine deeltjes materie zijn, de kleinste stofdeeltjes en daarom ondeelbaar en onvernietigbaar. De ultramoderne wetenschap [1930] heeft echter een totaal nieuwe opvatting omtrent het stoffelijk Atoom, want ze weet nu dat het Atoom niet ondeelbaar is maar samengesteld, en opgebouwd uit nog kleinere deeltjes, die elektronen of ladingen negatieve elektriciteit worden genoemd, en uit andere deeltjes, protonen of ladingen positieve elektriciteit, welke protonen, gewoonlijk in combinatie met elektronen, de kern of het hart van de atoomstructuur zouden vormen. De atoomstructuur wordt vaak voorgesteld als een atomair zonnestelsel, waarin de protonen de atomaire zon zijn en de elektronen haar planeten, die buitengewoon snel om de centrale zon draaien. Deze opvatting is in wezen zuiver theosofisch en schetst wat het Occultisme leert, hoewel het Occultisme veel verder gaat dan de moderne wetenschap. Een van de fundamentele grondstellingen in de leringen van de theosofie is dat de uitersten in de natuur aan de sto ffelijke zijde de Atomen zijn en aan de energiezijde de monaden. Deze twee zijn respectievelijk de materiële en geestelijke uitersten, waarvan de geestelijke, of monaden, ondeelbaar zijn en de Atomen deelbaar - dingen die in hun samenstellende delen kunnen worden gescheiden. Uit het voorgaande wordt duidelijk dat de filosofische gedachte die de kern van de leer van de oude ingewijde Atomisten vormde, was dat hun atomen of 'ondeelbaren' vrij dicht naderden tot wat het theosofisch Occultisme monaden noem t; en dit is wat Democritus en Leucippus en anderen uit hun school voor de geest stond. Het zal duidelijk zijn dat deze monaden goddelijk-geestelijke levensatomen zijn, werkelijke wezens die op hun eigen gebieden leven en evolueren. De stralen die van hen uitgaan vormen de laagste delen van de constitutie van wezens op de stoffelijke gebieden. Aura. Een uiterst ijle en daarom onzichtbare essence of een fluïdum dat niet alleen van menselijke wezens en dieren uitstraalt en hen omringt, maar eveneens van planten en mineralen. Het is een van de aspecten van het Aurisch Ei (zie aldaar), en daarom zijn in de menselijke Aura alle eigenschappen vertegenwoordigd die in de menselijke constitutie besloten liggen. Ze is zowel magneto-mentaal als elektro-vitaal en doordrenkt van verstandelijke en geestelijke energieën - waarvan de aard van geval tot geval wordt bepaald door het orgaan of centrum in de menselijke constitutie waaruit ze voortvloeit. Ze is de bron van de sympathieën en antipathieën waarvan we ons bewust zijn. Beheerst door de menselijke wil kan ze zowel bezielend en heilzaam als dodelijk zijn; en wanneer de menselijke wil passief is, functioneert de Aura uit zichzelf, op automatische wijze, en volgt ze de wetten van het karakter en de latente impulsen van het wezen waaruit ze voortkomt. Sensitieve mensen hebben de Aura vaak in min of meer vage termen beschreven als een licht dat uit de ogen, het hart, de vingertoppen of andere lichaamsdelen vloeit. In plaats van als een kleurloos licht, manifesteert dit fluïdum zich soms door vlammende en fonkelende kleurschakeringen - waarbij de kleur of kleuren niet alleen van de verschillende stemmingen van de betreffende mens afhangen, maar ook een ondergrond bezitten die overeenkomt met zijn karakter of aard. Dieren zijn bijzonder gevoelig voor Aura's; sommige nemen zelfs waar dat de Aura de mens omgeeft als een wolk of sluier. In feite bezit elk ding zijn Aura, die het omgeeft met een licht- of kleurenspel en dat is in het bijzonder het geval met de zogenaamde 'bezielde' wezens. De werkelijke aard van de Aura, zoals men die gewoonlijk ziet, is astraal en elektro-vitaal. De prachtige stralingsverschijnselen die astronomen tijdens zonsverduisteringen kunnen waarnemen, lange pluimen van roze en anders gekleurd licht die uit het lichaam van de zon schieten, zijn geen 'vlammen' of iets van dien aard, maar eenvoudig de elektro-vitale aura van het zonnelichaam - een manifestatie van zonnevitaliteit, want in het Occultisme is de zon, evenals trouwens elk ander ding, een levend wezen. Aurisch Ei. Deze term behoort uitsluitend tot de meer verborgen leringen van het Occultisme, de Esoterische Wijsbegeerte. Er kan hier weinig over worden gezegd, behalve dat het de bron is van de menselijke aura en van al het overige dat in de menselijke zevenvoudige constitutie besloten ligt. Het ziet er gewoonlijk ovaal of eivormig uit, vandaar de naam. Het strekt zich uit van het goddelijke tot het astraal-stoffelijke, en is de zetel van alle monadische, geestelijke, intellectuele, mentale, emotionele en vitale energieën en vermogens van de menselijke zevenvoudige constitutie. Het is in wezen eeuwig en blijft gedurende de pralaya's en de manvantara's voortbestaan; maar noodzakelijkerwijs op zeer uiteenlopende manieren in deze twee grote perioden van kosmisch bestaan. Avalokites´vara. (Sanskriet). Een samengesteld woord: avalokita - 'waargenomen', 'gezien'; Îs´vara-'heer'; derhalve 'de Heer die waargenomen of gekend wordt', d.w.z. het geestelijke wezen, hetzij in de kosmos of in de mens, wiens invloed wordt waargenomen en gevoeld; het hoger Zelf. Het is een term die algemeen in het Boeddhisme wordt gebruikt en waarmee een aantal ingewikkelde en niet zo gemakkelijk te begrijpen leringen samenhangen. De esoterische of occulte interpretatie ziet echter in Avalokites´vara wat de Westerse filosofie de derde Logos noemt, die zowel hemels als menselijk is. In het zonnestelsel is het de derde Logos; in de mens is het het hoger Zelf, een directe en actieve straal van de goddelijke monade. Technisch gesproken is Avalokites´vara de Dhyâni-Bodhisattva van Amitâbha-Boeddha - de Amitâbha-Boeddha is de kosmische goddelijke monade waarvan de Dhyâni-Bodhisattva de geïndividualiseerde geestelijke straal is, terwijl de Mânushya-Boeddha of menselijke Boeddha weer een straal of loot van deze laatste is. Avatâra. (Sanskriet). Het zelfstandig naamwoord, afgeleid van een samenstelling van twee woorden: ava, een als voorvoegsel gebruikt voorzetsel dat 'neer' betekent, en t.rî, een wortel die 'oversteken', 'doorgaan' betekent; en dus is ava-t.rî-'neergaan' of 'neerdalen'. Het woord betekent dan ook het neerdalen van een hemelse energie of van een geïndividualiseerd complex van hemelse energieën, wat gelijk staat met te zeggen een hemels wezen, met het doel een menselijk wezen te overschaduwen en te verlichten - maar een menselijk wezen dat op het moment van een dergelijke verbinding tussen 'hemel en aarde', tussen het goddelijke en de materie, karmisch geen tussenliggende of verbindende schakel bezit tussen de overschaduwende entiteit en het stoffelijk lichaam: met andere woorden, geen menselijke ziel die karmisch bestemd is de innerlijke meester te worden van het aldus geboren lichaam. De noodzakelijke tussenschakel, waardoor het toekomstige menselijke wezen de beschikking kan krijgen over de menselijke tussennatuur of het psychologisch apparaat, dat geschikt is om uitdrukking te geven aan de onzichtbare luister van deze hemelse afdaling, wordt verschaft door de weloverwogen en vrijwillige intrede in het ongeboren kind - die samenvalt met de overschaduwing door de hemelse kracht - van het psychologische of tussenliggende beginsel van een van de Groten, die aldus 'voltooit' wat het zuivere en verheven menselijke kanaal moet worden waardoor de 'neerdalende' godheid zich kan manifesteren; en deze godheid vindt in dit hogere psychologische beginsel een voldoende ontwikkelde schakel om haar in staat te stellen zich op aarde in menselijke vorm uit te drukken. Daarom is een Avatâra iemand wiens wezen uit een combinatie van drie elementen bestaat: een inspirerende godheid; een hoog ontwikkelde tussennatuur of ziel, die hem geleend is en die het kanaal vormt voor de inspirerende godheid; en een zuiver, rein, stoffelijk lichaam. Avîchi. (Sanskriet). Een woord waarvan de algemene betekenis 'golfloos', zonder golven of beweging is, en dat een toestand van stagnatie van het leven en het zijn aanduidt, van onbeweeglijkheid; het betekent ook 'zonder geluk' of 'zonder rust'. Een algemene term voor plaatsen waar het kwaad wordt verwerkelijkt, maar niet waar wordt 'gestraft' in christelijke zin; waar de wil tot het kwade en de onbevredigde lage zuiver zelfzuchtige verlangens de kans krijgen zich te laten gaan - en tenslotte de entiteit zelf te vernietigen. Avîchi kent vele stadia of graden. De natuur heeft alle dingen in zich; als ze hemelen heeft waar goede en waarachtige mensen rust en vrede vinden, heeft ze ook andere sferen en toestanden waar diegenen toe aangetrokken worden die een uitweg moeten vinden voor de kwade hartstochten die in hen branden. Aan het einde van hun Avîchi vallen ze uiteen en worden ze herhaaldelijk vermalen, totdat ze tenslotte verdwijnen als een schaduw in het zonlicht - vermalen in het laboratorium van de natuur. (Zie ACHTSTE SFEER). Avidyâ. (Sanskriet). Een samengesteld woord: a-'niet'; vidyâ-'kennis', derhalve niet-kennis, onwetendheid; een betere vertaling is misschien on-kunde. Onwetendheid omtrent of liever gebrek aan kennis van de Werkelijkheid, veroorzaakt door illusie of mâyâ. (Zie aldaar). Occulte Woordentolk , blz. 1-19 ©
1981 Theosophical
University Press Agency
|