– L –
Lagere viertal (zie hogere
triade)
Lanoe
Een woord dat in de oude Aziatische mystieke opleidingsscholen
wordt gebruikt voor ‘leerling’. (Zie ook chela.)
Layacentrum
Deze term betekent een ‘verdwijnpunt’. Laya komt
van de Sanskrietwortel li, die ‘oplossen’, ‘uiteenvallen’
of ‘verdwijnen’ betekent. Een layacentrum is het mystieke
punt waar iets uit het ene gebied verdwijnt en verder gaat om op een
ander gebied weer te verschijnen. Het is dat punt of die plaats –
elk punt of elke plaats – in de ruimte, die als gevolg van de
karmische wet plotseling een centrum van actief leven wordt, eerst op
een hoger gebied, om zich daarna lager te manifesteren via en door middel
van de layacentra van de lagere gebieden. In één opzicht
kan een layacentrum worden opgevat als een kanaal waardoor de levenskracht
van de hogere gebieden omlaag stroomt naar de lagere gebieden of toestanden
van stof, of beter gezegd van substantie, en deze bezielt of leven inblaast.
Maar achter al deze levenskracht werkt een leidende en stuwende kracht.
Er zijn technici in het heelal, technici van vele graden van bewustzijn
en macht. Maar achter de gewone technicus staat de spiritueel-intellectuele
ingenieur.
Ten slotte is een layacentrum het punt waar substantie
weer homogeen wordt. Elk layacentrum bestaat daarom noodzakelijkerwijs
op de kritieke lijn of in de kritieke fase die het ene gebied van het
andere scheidt. Daarom bevinden zich binnen elke hiërarchie een
aantal layacentra. (Zie ook hiërarchie.)
Levensatoom
Elk levensatoom is een lerende, zich ontwikkelende entiteit, een eenheid
in een van de talloze menigten of hiërarchieën van levensatomen
die er bestaan. Een levensatoom is een vitaal geïndividualiseerd
voertuig of lichaam van een spirituele monade; laatstgenoemde is het
bewustzijnscentrum, het verhevenste, edelste, hoogste en beste deel
van ons. Het hart van elk levensatoom is een spirituele monade. Levensatomen
zijn jonge goden, goden in wording, en zijn daarom voortdurend bezig
zich in de gebieden van de stof tot uitdrukking te brengen.
In het kort kan worden gezegd dat een levensatoom
de bezielende kracht is in elk oorspronkelijk of uiteindelijk deeltje.
Een atoom van de fysieke stof wordt bezield door zo’n levensatoom,
dat zijn pranisch-astraal-vitale beginsel is. Het levensatoom is niet
het fysieke atoom, want laatstgenoemde is slechts zijn gewaad of voertuig
en bestaat alleen uit fysieke stof, die uiteenvalt wanneer zijn levensduur
is verstreken, en die weer zal terugkeren om zich opnieuw te belichamen
door middel van de ingeboren kracht of energie die latent aanwezig is
in zijn bezielende beginsel, het levensatoom.
Met andere woorden, het levensatoom heeft een woning
van leven, en deze woning van leven is zijn lichaam of het fysieke atoom;
het levensatoom zelf is de laagste uitdrukking van het monadische licht
binnen die atomaire woning.
Levensatomen
Het fysieke lichaam bestaat in essentie uit energie, of beter gezegd
energieën, in de vorm van elektronen en protonen zoals de huidige
natuurwetenschap ze noemt. Deze zijn voortdurend in beweging; ze zijn
onafgebroken actief en worden door theosofen de belichamingen of manifestaties
van levensatomen genoemd. Deze levensatomen zijn tijdens het
fysieke bestaan dat de mens op aarde leidt, in zijn lichaam ingebouwd,
hoewel ze niet van buiten hem afkomstig zijn maar hun oorsprong in de
mens zelf hebben – althans het merendeel ervan. Met andere woorden,
ze vormen zowel zijn fysieke als zijn tussenliggende natuur, en laatstgenoemde
is natuurlijk hoger dan de fysieke.
Wanneer een mens sterft – of beter gezegd
wanneer het fysieke lichaam sterft – gaan alle samenstellende
delen naar hun respectieve eigen sferen. Sommige gaan naar de aardbodem,
omdat ze door magnetische affiniteit daarheen worden aangetrokken, een
affiniteit die door de mens tijdens zijn leven op hun levensenergie
werd afgedrukt, want zijn overschaduwende wil en verlangens, zijn heerschappij
en invloed, gaf die richting daaraan. Andere gaan naar het plantenrijk,
om dezelfde reden dat eerstgenoemde naar het mineralenrijk worden gedreven.
Weer andere gaan naar de verschillende dieren, waarmee ze na de dood
van de mens magnetische affiniteit, of nauwkeuriger geformuleerd psychische
affiniteit, bezitten, een affiniteit die de mens daarop door zijn verlangens
en verschillende impulsen heeft afgedrukt; de levensatomen die deze
weg gaan, zullen het innerlijke of tussenliggende gestel vormen van
de dieren waar ze naartoe gaan. Tot zover wat de weg betreft die de
levensatomen van de laagste beginselen van de mens volgen.
Maar er zijn nog andere levensatomen die bij de
mens horen. Er zijn in feite levensatomen die behoren tot het respectieve
gebied van elk van de zeven beginselen waaruit de mens is samengesteld.
Dit betekent dat er levensatomen zijn die behoren tot de tussennatuur
van de mens, tot zijn spirituele natuur en tot alle stadia die tussen
deze twee hogere delen van hem liggen. Terwijl de monade tijdens haar
verbazingwekkende postmortale reis stap voor stap verdergaat en door
de sferen ‘opklimt’ of ‘opstijgt’, werpt ze
bij elke stap die levensatomen af die tot die stap of dat stadium van
de reis behoren, en ze doet dat voor alle stappen of stadia. Bij elke
stap laat ze de meer stoffelijke levensatomen achter totdat ze, wanneer
ze het hoogtepunt van haar verbazingwekkende postmortale omzwervingen
heeft bereikt, in ‘een spiritueel lichaam’ zal leven, zoals
Paulus van de christenen heeft gezegd, dat wil zeggen dat ze een spirituele
energie, een monade, is geworden.
De natuur laat nergens en voor geen enkel ding absolute
stilstand toe. Alle dingen zijn vol leven, vol energie, vol beweging;
ze zijn zowel energie als stof, zowel geest als substantie, en deze
twee zijn in essentie één – facetten van de werkelijkheid
die eraan ten grondslag ligt en waarvan we slechts de maya of bedrieglijke
vormen zien.
De levensatomen zijn in feite de afstammelingen
of voortbrengselen van de innerlijke beginselen van de samengestelde
mens. Het is duidelijk dat de levensatomen die de fysieke atomen van
het menselijk lichaam bezielen, even talrijk zijn als de atomen die
ze bezielen; er zijn bijna ontelbare menigten levensatomen, quintiljarden
en nog eens quintiljarden in praktisch onberekenbare aantallen. Elk
van deze levensatomen is een wezen dat leeft, beweegt, groeit en nooit
stilstaat – dat zich ontwikkelt naar een verheven bestemming en
ten slotte goddelijk wordt.
Levensgolf
Deze term duidt een gezamenlijke menigte monaden aan; er zijn zeven
of tien van deze menigten, afhankelijk van de classificatie die men
volgt. De monade is een spiritueel ego, een bewustzijnscentrum,
en is in de spirituele gebieden van het universele leven wat de levensatomen
zijn in de lagere gebieden van de vorm. Deze monaden en levensatomen
vormen gezamenlijk de zeven (of tien) levensgolven – deze monaden
met de levensatomen waarin en door middel waarvan ze werken; deze levensatomen
zijn – toen de vorige planeetketen in pralaya ging – in
de ruimte achtergebleven als kosmisch stof op het fysieke gebied, en
als daarmee corresponderende levensatomen of levensdeeltjes van gedifferentieerde
stof op de tussengebieden boven het fysieke. Door de werking van de
monaden wanneer ze afdalen in de stof – of beter gezegd door middel
van de monadische stralen die de lagere gebieden van de stof doordringen
– worden de bollen opgebouwd. Elk van de zeven (of tien) levensgolven
of menigten van monaden bestaat uit monaden in zeven (of tien) graden
van ontwikkeling.
Wanneer de menigten wezens die een levensgolf vormen
– een levensgolf die uit de entiteiten bestaat die afkomstig zijn
van een vroegere, nu dode planeet, in ons geval de maan – zich
bewust worden dat de tijd voor hen is aangebroken om aan hun eigen specifieke
evolutiereis te beginnen, cirkelen ze als een levensgolf omlaag langs
de planeetketen die voor hen in gereedheid is gebracht door de drie
menigten elementalen uit de drie oorspronkelijke elementalenwerelden,
de voorlopers van de levensgolf, die echter onlosmakelijk deel daarvan
uitmaken. Deze levensgolf doorloopt in totaal zeven keer de zeven bollen
van onze planeetketen; eerst cirkelt ze langs de schaduwboog omlaag
door alle zeven elementen van de kosmos en doet in elk daarvan ervaring
op, waarbij iedere afzonderlijke entiteit van de levensgolf, van welke
graad of soort ze ook is – spiritueel, psychisch, astraal, mentaal,
goddelijk – verdergaat tot ze op het laagste punt van de boog,
wanneer het midden van de vierde ronde is bereikt, het einde van de
neerwaartse impuls voelt. Dan begint de opwaartse impuls, de gang omhoog
langs de lichtende boog, naar de bron waaruit de levensgolf oorspronkelijk
voortkwam.
Levensladder
Een term die men in theosofische literatuur vaak aantreft en die kort
en bondig de opklimmende graden of stadia van het gemanifesteerde bestaan
in het heelal weergeeft. In één opzicht is de term levensladder
verwisselbaar met andere uitdrukkingen, zoals de keten van Hermes (zie
aldaar) of de gouden keten.
Het heelal bestaat uit belichaamde bewustzijnen,
en deze belichaamde bewustzijnen komen voor in een praktisch oneindige
verscheidenheid van graden van volmaaktheid – een ware levensladder
of levenstrap, die zich in beide richtingen eindeloos uitstrekt, want
onze verbeeldingskracht kan zich geen andere dan een hiërarchische
begrenzing voorstellen; zo’n hiërarchische begrenzing is
slechts van ruimtelijke en niet van werkelijke, kwalitatieve en formele
aard. Deze levensladder vertoont bij wijze van spreken op bepaalde afstanden
platformen, die door theosofen de verschillende bestaansgebieden worden
genoemd – de verschillende sferen van bewustzijn, om de gedachte
op een andere manier uit te drukken.
Lichtende boog (zie opgaande
boog)
Lingasarira
(Sanskriet)
Linga is een woord dat ‘karakteristiek kenmerk’
betekent, en dus ‘model’, ‘patroon’. Sarira,
‘vorm’, van de wortel sri, betekent ‘vergaan’
of ‘wegteren’, en wijst daarom op ‘vergankelijkheid’.
Het zesde substantie-beginsel, van bovenaf geteld,
van de samenstelling van de mens. Het modellichaam, gewoonlijk astraal
lichaam genoemd, omdat het maar weinig etherischer is dan het fysieke
lichaam en in feite het model of frame is waaromheen het fysieke lichaam
wordt opgebouwd, en waaruit in zekere zin het fysieke lichaam voortkomt
of zich ontwikkelt tijdens de groei.
Na de dood blijft het lingasarira, of modellichaam,
bestaan in de astrale gebieden en verdwijnt ten slotte geleidelijk –
door ontbinding stap voor stap, atoom voor atoom – met de atomen
van het fysieke lijk. Deze astrale rijken vormen niet één
enkel gebied, maar een reeks gebieden die steeds etherischer en spiritueler
worden naarmate ze zich dichter bij de innerlijke sferen van de samenstelling
of structuur van de natuur bevinden. Het lingasarira wordt gevormd vóór
het lichaam, en doet dus dienst als model of patroon waarnaar het fysieke
lichaam zich vormt en ontwikkelt; het is even sterfelijk als het fysieke
lichaam, en verdwijnt met het fysieke lichaam.
Linkerpad (zie rechterpad)
Lipika
(Sanskriet)
Dit woord komt van de wortel lip, die ‘schrijven’
betekent; het woord lipika’s betekent daarom de ‘schrijvers’.
In mystieke zin zijn ze de hemelse optekenaars, nauw verbonden met de
werking van karma, waarvan ze de instrumenten zijn. Ze zijn de karmische
‘optekenaars of geschiedschrijvers, die op de (voor ons) onzichtbare
tafelen van het astrale licht, ‘de grote beeldengalerij van de
eeuwigheid’, een getrouw verslag afdrukken van elke handeling
en zelfs gedachte van de mens [en in feite van alle andere entiteiten
en dingen], van alles wat was, is of ooit zal zijn in het heelal van
verschijnselen’ (De geheime leer, 1:134).
Hoewel hun werking strikt wordt beheerst door kosmisch
bewustzijn, is ze niettemin streng automatisch, want hun werk is even
automatisch als de werking van karma zelf. Ze zijn in feite entiteiten,
maar entiteiten die werken en handelen met het starre automatisme van
een kosmische machinerie, en niet zoals een ingenieur die het functioneren
van zijn machines controleert en ze bijstelt. In één opzicht
kunnen ze misschien beter kosmische energieën worden genoemd –
een onderwerp dat moeilijk is te beschrijven.
Logos
(Grieks)
In de oude Griekse filosofie werd het woord logos op vele manieren gebruikt,
en de diepzinnige, mystieke betekenis ervan werd door de christenen
helaas vaak verkeerd begrepen. Logos is een woord dat in de esoterische
filosofie op verschillende manieren wordt gebruikt, want er bestaan
verschillende soorten of niveaus van logoi, sommige van goddelijke,
andere van spirituele aard; sommige met een kosmisch, andere met een
veel beperkter bereik. In feite heeft iedere individuele entiteit, ongeacht
haar evolutiestadium op de levensladder, haar eigen individuele logos.
De goddelijk-spirituele entiteit achter de zon is de zonnelogos van
ons zonnestelsel. Hoe klein of groot zonnestelsels misschien ook zijn,
elk heeft zijn eigen logos, de bron of oorsprong van de bijna ontelbare
logoi van een lagere graad in dat stelsel. Ieder mens heeft zijn eigen
spirituele logos; elk atoom heeft zijn eigen logos, en ook zijn eigen
paramatman en mulaprakriti, want iedere entiteit heeft haar eigen hoogste
aspect. Het is duidelijk dat deze dingen en de woorden die ze tot uitdrukking
brengen betrekkelijk zijn.
Eén betekenis van het Griekse logos is ‘woord’
– een term of symbool ontleend aan de oude mysteriën en dat
het ‘verloren woord’ betekent, de ‘verloren’
logos van het hart en de hersenen van de mens. De logos van onze eigen
planeetketen is, voor zover het deze vierde ronde betreft, het wonderlijke
wezen of de stille wachter (zie aldaar).
De term heeft dus een relatieve en geen absolute
betekenis, en kan op vele manieren worden gebruikt.
Loka
(Sanskriet)
Een woord dat ‘plaats’ betekent of, zoals het in de theosofie
veel vaker wordt gebruikt, een ‘wereld’ of ‘sfeer’
of ‘gebied’.
De loka’s worden onderverdeeld in rupaloka’s
en arupaloka’s – ‘stoffelijke werelden’ en ‘spirituele
sferen’. Met de loka’s en tala’s hangt een uitgebreid
scala van leringen samen die tot de diepzinniger onderwerpen van de
esoterische filosofie behoren. (Zie ook arupa, rupa, tala.)