Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– Q –

Qabbalah (zie kabbala)

– R –

Rajas (Sanskriet)
Een van de drie guna’s of ‘eigenschappen’ in de wisselwerking tussen kracht en stof; de andere twee zijn sattva (zie aldaar) en tamas (zie aldaar). Rajas is de guna of de ‘eigenschap’ van verlangen, hartstocht, activiteit, een van de drie aspecten van de natuur. Het is in zekere zin het resultaat of het gevolg van de oerdrang in de natuur die verandering en het verlangen daarnaar teweegbrengt.

Rajayoga (zie yoga)

Ras, wortelras
Tijdens de evolutie op onze aarde (en naar analogie eveneens op de zes andere gemanifesteerde bollen van de planeetketen van de aarde) doorloopt de mensheid als levensgolf zeven evolutiestadia, die wortelrassen worden genoemd. Zeven van zulke wortelrassen vormen de evolutiecyclus op deze bol aarde in deze vierde ronde door de planeetketen; en deze evolutiecyclus op onze bol aarde wordt één bolronde genoemd. We bevinden ons nu in het vierde onderras van ons huidige vijfde wortelras op bol D of onze aarde.

Elk wortelras wordt in onze leringen verdeeld in zeven onderrassen en elk van deze zeven onderrassen is op zijn beurt onderverdeeld in zeven vertakkingen of nog kleinere raseenheden, enz.

Iemand die geïnteresseerd is in de evolutie of ontstaansgeschiedenis van de zeven wortelrassen op onze bol aarde, wordt in de eerste plaats verwezen naar H.P. Blavatsky’s De geheime leer en vervolgens naar Beginselen van de esoterische filosofie.

Elk van de zeven wortelrassen bereikt ongeveer halverwege zijn ontwikkelingsperiode het hoogtepunt van zijn materiële bloei en macht. Wanneer de helft van de cyclus van een van de zeven wortelrassen is afgelegd, wordt het ras door een grote ramp getroffen, want dit is de manier waarop de natuur werkt. Op dit punt halverwege de ontwikkelingsperiode van een ras, halverwege het vierde onderras van het moederras of wortelras, wordt een nieuw wortelras geboren uit het voorafgaande wortelras, en volgt zijn evolutie van geboorte tot volwassenheid naast, of beter gezegd samen met, de tweede helft van het voorafgaande moederras of wortelras. Op deze manier overlappen de wortelrassen elkaar, een heel interessant feit in de etnologie of de geschiedenis van de rassen. Dit overlappen vindt ook plaats in de gevallen van de onderrassen en kleinere raseenheden.

Het zal 16.000 à 20.000 jaar duren voordat de grote ramp van de mensheid zal volgen die ons eigen vijfde wortelras in tweeën zal splitsen – precies zoals eenzelfde grote ramp zich voordeed bij de Atlantiërs – of het vierde ras – die aan ons voorafgingen, en bij de Lemuriërs – of het derde ras – die aan hen voorafgingen, en zoals de twee wortelrassen zal overkomen die op het onze zullen volgen, het zesde en het zevende – want we naderen nu het punt halverwege ons eigen vijfde wortelras, omdat we dichter bij het punt halverwege het vierde onderras van dit vijfde wortelras komen. (Zie ook bol, planeetketen, ronde.)

Rechaka (recaka, Sanskriet)
Een van de oefeningen in het hathayoga-stelsel voor het regelen van de ademhaling. De adem wordt door een van de neusgaten uitgedreven of uitgeblazen, terwijl het andere neusgat met de vinger wordt dicht gehouden; daarna wordt de handeling herhaald met het andere neusgat. Zoals onder kumbhaka (zie aldaar) is opgemerkt, zijn deze handelingen bijzonder gevaarlijk voor de gezondheid en het mentale evenwicht, en kunnen niet worden aangemoedigd. Ze moeten zelfs ten sterkste worden afgeraden.

Rechterpad (of pad van de rechterhand)
Sinds onheuglijke tijden hebben in alle landen op aarde en onder alle mensenrassen twee tegenover elkaar staande en elkaar tegenwerkende scholen van occulte of esoterische training bestaan, waarvan de ene vaak het pad van licht en de andere het pad van duisternis of van de schaduwen wordt genoemd. Deze twee paden worden ook vaak als het rechterpad en het linkerpad aangeduid, en hoewel dit technische benamingen zijn in het nogal wankele occultisme van het Westen, komen diezelfde uitdrukkingen overal op de wereld voor en zijn in het bijzonder bekend in de mystieke en esoterische literatuur van Hindoestan. Het rechterpad is in de Sanskrietgeschriften bekend als dakshinamarga, en degenen die de gedragsregels daarvan in praktijk brengen en de voorgeschreven levenswijze volgen, worden aangeduid met de technische term dakshinacharins en hun levenswijze met dakshinachara. Omgekeerd worden degenen die het linkerpad volgen – vaak aangeduid als de broeders van de schaduw of met een soortgelijke term – vamacharins genoemd en hun school of levenswijze is bekend als vamachara. Een andere term voor vamachara is savyachara. De witte magiërs of broeders van licht zijn daarom dakshinacharins en de zwarte magiërs of broeders van de schaduw, of veroorzakers van spiritueel, verstandelijk en psychisch kwaad, zijn dus de vamacharins.

Om in de mystieke taal van het oude Griekenland te spreken: de dakshinacharins of broeders van licht volgen het kronkelende pad omhoog naar de Olympus, terwijl de vamacharins of broeders van het linkerpad het gemakkelijke, maar heel gevaarlijke pad volgen dat naar omlaag voert, naar toestanden van stof en spirituele verduistering van steeds grotere verwarring en verschrikking. Dit laatste is de facilis descensus averno (Aeneis, 6:126) – de gemakkelijke afdaling naar de onderwereld – van de Latijnse dichter Vergilius. Beklagenswaardig is hij die weigert zijn ziel te verheffen naar de edele en zuiverende stralen van de spirituele zon binnenin hem, en zijn voet zet op het pad dat naar omlaag leidt. De waarschuwingen die aan studenten van het occultisme zijn gegeven, zijn altijd ernstig en dringend geweest, en geen esotericus zou ooit moeten denken dat hij veilig is of geen risico meer loopt de weg naar omlaag in te slaan, vóór hij één is geworden met de goddelijke raadgever in zijn eigen binnenste, zijn eigen innerlijke god.

Reïncarnatie
Een woord van Latijnse oorsprong met de betekenis van ‘weer in het vlees komen’, het in een menselijk lichaam terugkeren van een geëxcarneerde menselijke ziel. De zich herhalende wederbelichaming van het reïncarnerende menselijke ego in voertuigen van menselijk vlees is een bijzonder geval van de algemene leer van wederbelichaming. Deze algemene leer van wederbelichaming heeft niet alleen betrekking op de mens, maar op alle centra van bewustzijn, of op alle monaden, waar ze zich ook bevinden op de levensladder van de evolutie, en wat hun specifieke stadium van ontwikkeling daarop ook is.

De betekenis van deze algemene leer is heel eenvoudig. Ieder leven-bewustzijn-centrum, met andere woorden iedere monade of monadische essentie, belichaamt zich telkens opnieuw in verschillende voertuigen of lichamen, om de alledaagse term te gebruiken. Deze lichamen kunnen spiritueel of fysiek zijn of een aard bezitten die tussen deze twee in ligt, d.w.z. etherisch. Deze regel in de natuur, die zonder uitzondering op alle monaden van toepassing is, werkt in alle verschillende rijken van het zichtbare en onzichtbare heelal, op al zijn verschillende gebieden en in al zijn verschillende werelden.

In de theosofische filosofie worden in verband met wederbelichaming acht woorden gebruikt, die niet allemaal synoniemen zijn, hoewel sommige van deze acht woorden bijna dezelfde specifieke betekenis hebben. Deze zijn: preëxistentie, wedergeboorte, wederbelichaming, palingenese, metensomatose, metempsychose, transmigratie, reïncarnatie (zie onder ieder woord voor een definitie). Van deze acht woorden kan van slechts vier worden gezegd dat ze de vier verschillende basisgedachten van de algemene leer van wederbelichaming bevatten, en deze vier zijn: preëxistentie, wederbelichaming, metempsychose en transmigratie.

Het woord reïncarnatie is in geen geval identiek met een van de zeven andere woorden, hoewel het natuurlijk een sterke overeenkomst vertoont met alle andere, zoals met preexistentie, omdat het duidelijk is dat de entiteit bestaat voordat ze reïncarneert; het is ook nauw verbonden met wedergeboorte, wederbelichaming en metensomatose.

Het verschil tussen de betekenis van het woord reïncarnatie en die van het woord wedergeboorte bestaat vooral hierin dat eerstgenoemde term eenvoudig wedergeboorte in menselijke lichamen van vlees op deze aarde betekent, terwijl laatstgenoemde term stilzwijgend, zo niet nadrukkelijk, ook de mogelijkheid inhoudt van incarnaties in het vlees door wezens die hun aardse pelgrimstocht of evolutie hebben voltooid maar die naar de aarde kunnen terugkeren, en dat soms ook doen, om te incarneren met als doel hun minder ontwikkelde broeders te helpen.

Reïncarnerend ego
In de verdeling van de menselijke beginselen in drieën (een trichotomie), namelijk een hogere duade, een tussenliggende duade en een lagere triade – of respectievelijk geest, ziel en lichaam – is de tweede of tussenliggende duade, manas-kama of de tussennatuur, de gewone zetel van het menselijk bewustzijn en bestaat zelf uit twee kwalitatief verschillende delen: een hoger of aspirerend deel, dat gewoonlijk het reïncarnerende ego of hogere manas wordt genoemd, en een lager deel dat tot stoffelijke zaken wordt aangetrokken en het brandpunt is van wat in de gemiddelde mens tot uitdrukking komt in het menselijke ego, de gewone alledaagse zetel van zijn bewustzijn.

Wanneer de dood intreedt, raken de sterfelijke en stoffelijke delen in vergetelheid, terwijl het reïncarnerende ego de beste en edelste spirituele herinneringen van de gestorven mens meevoert naar devachan (zie aldaar) of de hemelwereld van postmortale rust en herstel, waar het ego in de schoot van de monade (of van de monadische essentie) in een toestand van volmaakte gelukzaligheid en vrede verblijft, en voortdurend in zijn eigen gelukzalige verbeelding alle onvervulde spirituele verlangens en wensen van het pas geëindigde leven overziet en veredelt, verlangens die de devachanische entiteit automatisch worden ingegeven door zijn natuurlijke scheppende vermogens.

Maar de monade waarover hierboven werd gesproken gaat in haar omzwervingen vanaf de aarde van sfeer tot sfeer, en draagt het reïncarnerende ego, of wat we ter vereenvoudiging het kind van de aarde kunnen noemen, in haar schoot met zich mee. Daar verkeert dit reïncarnerende ego in een toestand van volmaakte gelukzaligheid en vrede totdat het moment aanbreekt dat het, na door alle onzichtbare gebieden te zijn heen gegaan die door ketens van oorzaken met onze eigen planeet zijn verbonden, weer langzaam door deze hogere tussenliggende sferen ‘afdaalt’ naar de aarde. Tegelijkertijd begint het reïncarnerende ego langzaam weer tot zelfbewuste activiteit te ontwaken. Geleidelijk voelt het, zonder zich aanvankelijk ervan bewust te zijn, de aantrekking tot de aarde, die voortkomt uit de karmische zaden van gedachten, emoties en impulsen die in het vorige leven op aarde werden gezaaid en nu beginnen te ontwaken; en naarmate deze aantrekking groter wordt, met andere woorden naarmate het reïncarnerende ego steeds meer ontwaakt, ondervindt het de dominerende invloed van een sterke psychomagnetische aantrekking die hem naar de aardse sfeer trekt.

Ten slotte breekt het moment aan dat het sterk wordt aangetrokken tot die familie op aarde waarvan de karmische aantrekkingskracht of de karmische omstandigheden zijn eigen karaktertrekken het dichtst benaderen; en dan hecht het zich door psychomagnetische aantrekking aan het menselijk zaad, of begeeft zich daarin, dat daarna uitgroeit tot het lichaam van de toekomstige mens. Op deze manier vindt reïncarnatie plaats en wordt het reïncarnerende ego zich opnieuw bewust van het leven op aarde in het lichaam van een klein kind.

Relativiteit
De moderne wetenschappelijke relativiteitsleer is, ondanks haar wiskundige en andere beperkingen, van grote betekenis, omdat ze de metafysica in de fysica introduceert, breekt met de zuiver speculatieve gedachte dat bepaalde dingen absoluut zijn in een louter relatief heelal, en ons opnieuw onderzoek laat doen naar de natuur zoals ze is, en niet zoals wiskundige theoretici tot nu toe stilzwijgend hebben aangenomen dat ze is. De relativiteitsleer met haar basisgedachte van relatieve in plaats van absolute begrippen is juist, maar dat betekent niet dat een theosoof de conclusies van Einstein of van zijn volgelingen noodzakelijkerwijs aanvaardt. Laatstgenoemde kunnen waar zijn of niet; de tijd zal het leren. In ieder geval is relativiteit niet datgene waarvoor ze vaak ten onrechte wordt gehouden – louter de leer dat ‘alles relatief is’, wat zou betekenen dat er nergens iets essentieels of werkelijks bestaat, waaruit andere dingen voortvloeien; met andere woorden, dat er geen werkelijke of essentieel goddelijke en spirituele achtergrond van het zijn bestaat. De relativiteitstheorie is een vage aanduiding, een benadering van een heel oude theosofische lering – de leer over maya (zie aldaar).

De theosofische lering over relativiteit is als volgt. Hoewel het heelal een relatief heelal is en daarom ook al zijn delen relatief zijn – het ene ten opzichte van elk ander of ten opzichte van alle andere, en alle ten opzichte van het ene – ligt er toch een onvergankelijke werkelijkheid achter, die de basis of waarheid van de dingen vormt, waaruit alle verschijnselen in hun ontelbare relatieve manifestaties voortvloeien. Er is een weg, een pad, waarlangs de mensen deze werkelijkheid achter de dingen kunnen bereiken, omdat de mens deze in zich heeft als zijn diepste essentie en daarom als zijn oorsprong. In ieder mens is deze werkelijkheid die wij allemaal zoeken als basis aanwezig. Ieder van ons is het pad dat erheen leidt, want het is het hart van het heelal.

In nog metafysischer zin kan men zeggen dat zelfs het hart van een heelal relatief bestaat ten opzichte van andere heelallen met hun hart. Het zou volkomen onjuist zijn te veronderstellen dat er één absolute werkelijkheid is in de ouderwetse Europese betekenis, en dat alle relatieve manifestaties daaruit voortvloeien, en dat deze relatieve manifestaties, hoewel voortgekomen uit deze absolute werkelijkheid, geen verbindingsschakels hebben door middel waarvan ze een eenheid vormen met, of die aangeven dat ze hun oorsprong hebben in, een absolute (zie aldaar) dat nog essentiëler en fundamenteler en meer omvattend is. Wanneer het denkbeeld van grenzeloze oneindigheid eenmaal wordt begrepen, beseft een scherpzinnige denker onmiddellijk dat het eenvoudig hopeloos, en zelfs onmogelijk, is te veronderstellen dat er een einde of absolute absoluten kunnen zijn, zoals de goddelijke ultima Thule. Hoe uitgestrekt en kosmisch een absolute misschien ook is, in de volstrekt grenzeloze oneindigheid zijn er altijd ontelbare andere absoluten die eraan gelijk of groter zijn.

Religie
Een werking van het spirituele denken van de mens dat niet alleen erop gericht is het hoe en waarom van de dingen te begrijpen, maar bovendien een verlangen en streven inhoudt naar zelfbewuste vereniging met het goddelijke Al en een eindeloos groeiende zelfbewuste vereenzelviging met de kosmische goddelijk-spirituele werkelijkheden. Ze is één aspect van een drieledige benadering om het wezen van de natuur, van de universele natuur en haar veelvormige en veelvoudige werkingen, te begrijpen; dit aspect kan niet worden gescheiden van de twee andere aspecten (wetenschap en filosofie) als we een juist inzicht willen verkrijgen in de dingen zoals ze werkelijk zijn.

Menselijke religie is de uitdrukking van dat aspect van het menselijk bewustzijn dat intuïtief en mystiek is en aspiraties koestert, en dat in zijn lagere vormen door het emotionele in de mens vaak wordt misvormd en verwrongen.

Europeanen leiden het woord religie nu vaak af van het Latijnse werkwoord religare, dat ‘opnieuw binden’ betekent. Maar er bestaat een andere afleiding, die Cicero verkoos, die zelf een Romein was en een diepe kennis bezat van zijn eigen landstaal en grote vaardigheid in het gebruik ervan. Deze andere afleiding komt van een Latijnse wortel die ‘selecteren’, ‘kiezen’ betekent, waarvan het woord lex, ‘wet’, afkomstig is, d.w.z. de gedragslijn of gedragsregel die als de beste wordt gekozen en daarom wordt gevolgd; met andere woorden, die welke de beste in zijn soort is, zoals door selectie en proefondervindelijk is vastgesteld.

Het woord religie, van het Latijnse religio, betekent dus een zorgvuldige selectie van essentiële geloofsovertuigingen en motieven door het hogere of spirituele intellect – een vermogen dat intuïtief oordeelt en begrijpt – en een consequent vasthouden aan die keuze, wat leidt tot een levensweg en gedragslijn die in alle opzichten overeenkomen met de overtuigingen waartoe men is gekomen. Dit is de religieuze geest.

Hieraan willen theosofen de volgende belangrijke gedachte toevoegen: achter alle verschillende religies en filosofieën uit de oudheid ligt een geheime of esoterische wijsheid die werd verkondigd door de grootste figuren die ooit hebben geleefd, de stichters en bouwers van de verschillende wereldreligies en wereldfilosofieën; en dit verheven stelsel van basisbeginselen is overal op aarde altijd hetzelfde geweest.

Aan dit stelsel zijn verschillende namen gegeven, bijvoorbeeld de esoterische filosofie, de oude wijsheid, de geheime leer, de traditionele leer, theosofie, enz. (Zie ook wetenschap, filosofie.)

Ring-verder-niet
Een heel mystieke en veelbetekenende term, die de kring of het terrein of de grenzen aanduidt waarbinnen het bewustzijn zich bevindt van hen die nog in de waan verkeren dat ze een opzichzelfstaand bestaan hebben – en dit is van toepassing ongeacht of de ring groot of klein is. Dit woord verwijst niet naar één bepaalde omstandigheid of toestand, maar is een algemene term voor alle bewustzijnstoestanden waarin een entiteit, die een bepaald stadium van evolutionaire groei in de ontwikkeling van het bewustzijn heeft bereikt, niet in staat blijkt een nog hogere bewustzijnstoestand te bereiken als gevolg van een of andere illusie waarin het bewustzijn verkeert, of deze illusie nu van mentale of spirituele aard is. Er is voor het bewustzijn een ring-verder-niet voor elke bol van de planeetketen, een ring-verder-niet voor de planeetketen zelf, een ring-verder-niet voor het zonnestelsel, enz. Het zijn de entiteiten die in de illusie verkeren en die daardoor hun eigen ring-verder-niet scheppen, want het is niet een feitelijke stoffelijke grens van een entiteit, maar een beperking van het bewustzijn.

Een ring-verder-niet heeft iets weg van een spiritueel layacentrum (zie aldaar), of een overgangspunt van het ene bewustzijnsgebied naar het andere.

Zoals hierboven gezegd: ringen-verder-niet hebben alleen te maken met bewustzijnsstadia of -toestanden. De ring-verder-niet voor dieren, bijvoorbeeld, is het zelfbewustzijn; dat betekent dat dieren nog niet in staat zijn gesteld hun bewustzijn tot het punt van zelfbewustzijn of bespiegelend bewustzijn te ontwikkelen, behalve in geringe mate. Een hond, bijvoorbeeld, die zich in een kamer bevindt en eruit wil, zal naar de deur rennen waardoor hij gewend is naar buiten te gaan en zal daar blijven zitten janken tot de deur wordt geopend. Zijn bewustzijn weet waar de uitgang is maar heeft niet de zelfbewuste mentale handeling geleerd om de deur open te doen.

Een algemene ring-verder-niet voor de mensheid is haar onvermogen zelfbewust deel te hebben aan spiritueel zelfbewustzijn.

Ronde
De leer die betrekking heeft op onze planeetketen, gewoonlijk die van de zeven ronden genoemd, houdt in dat de levenscyclus of levensgolf haar evolutiereis begint op bol A, de eerste van de reeks van zeven (of tien) bollen; dan, na daar haar cyclussen te hebben voltooid, gaat ze omlaag naar bol B, vervolgens naar bol C, en dan naar bol D, onze aarde; dan naar bol E op de opgaande boog (zie aldaar), dan naar bol F en dan naar bol G. Dit zijn de zeven gemanifesteerde bollen van de planeetketen. Dit is één planeetronde. Na de planeetronde volgt een planeet- of keten-nirvana, totdat de tweede ronde op dezelfde manier begint, maar in een verder gevorderd stadium van evolutie dan in de eerste ronde.

Een bolronde is één van de zeven rondgangen van een levensgolf in haar planeetronde op één (en dus op en door elk) van de bollen. Wanneer de levensgolf bijvoorbeeld door bol D is gegaan en haar cyclussen op bol D heeft beëindigd, is dat de bolronde van bol D voor die specifieke planeetronde, en eenzelfde beschrijving kan men geven voor het proces op alle andere bollen. Zeven wortelrassen vormen één bolronde. Er zijn dus zeven bolronden (één bolronde voor elk van de zeven bollen) in elke planeetronde.

Zeven planeetronden komen overeen met één kalpa of manvantara of dag van Brahma. Wanneer zeven planeetronden zijn voltooid, dat wil zeggen 49 bolronden (of bol-manvantara’s), volgt een nog hoger nirvana dan dat tussen de bollen G en A na elke planeetronde. Dit hogere nirvana valt samen met wat een pralaya van die planeetketen wordt genoemd, en deze pralaya duurt voort totdat de cyclus weer terugkeert om een nieuwe planeetketen te vormen, die dezelfde menigten levende wezens bevat als de voorafgaande keten, en die nu zijn voorbestemd om de nieuwe planeetketen te betreden, maar op een hogere reeks van gebieden of werelden dan in de voorafgaande.

Nadat er zeven van zulke planeetketens met hun verschillende kalpa’s of manvantara’s zijn gevormd – deze zevenvoudige grote cyclus is één zonnemanvantara – verzinkt het zonnestelsel in de zonne- of kosmische pralaya.

Er bestaan buitenronden en binnenronden. Een binnenronde wordt gevormd door de reis van de levensgolf in een planeetketen van bol A tot bol G, en dit gebeurt in een planeetmanvantara zeven keer.

De buitenronde betreft de reis van de hele levensgolf van een planeetketen langs de circulaties in het zonnestelsel, van een van de zeven heilige planeten naar een volgende, en dit zeven (of tien) keer.

Er is nog een ander aspect van de leer over de buitenronden dat hier niet kan worden toegelicht.

Ruimte
Naar algemeen wordt aangenomen bestaat ons heelal uit ruimte, stof en energie; maar in de theosofie zeggen we dat ruimte zelf zowel bewust als substantieel is. Ze is in feite de wortel van de andere twee, stof en energie, die in wezen één basis hebben, en deze basis is ruimte – hun essentiële oorzaak, hun instrumentele oorzaak en ook hun substantiële oorzaak – en dat is de werkelijkheid van het zijn, het hart van de dingen.

Onze leer is dat er veel heelallen bestaan, en niet slechts één, ons eigen thuisheelal; daarom zijn er veel ruimten met een achtergrond van een volkomen onbegrijpelijke grotere ruimte die alles omvat – een ruimte die nog etherischer, ijler, spiritueler, zelfs goddelijker is dan de ruimte-stof die wij kennen, of beter gezegd zoals wij ons die voorstellen, die in haar laagste aspect de grove fysieke stof manifesteert waarmee iedereen bekend is. Ruimte is daarom, abstract gezien, zijn, vol met andere entiteiten en dingen waarvan wij een klein gedeelte zien – ontelbare bollen, sterren en planeten, nevelvlekken en kometen.

Maar al deze stoffelijke lichamen zijn slechts het product of resultaat van oneindige aantallen onzichtbare en innerlijke oorzakelijke gebieden – verreweg het grootste deel van de ruimten van de Ruimte. De ruimte van elk heelal is dus een entiteit – een god. In essentie is ze een spirituele entiteit, zelfs een goddelijke entiteit, waarvan wij niets anders zien dan wat wij mensen het stoffelijke en energetische aspect noemen – waarachter het oorzakelijke leven, de oorzakelijke intelligentie, staat.

Het woord wordt in de theosofische filosofie ook vaak gebruikt om de onmetelijke oneindigheden van het grenzeloze aan te duiden, en omdat ze het ware esse van leven-bewustzijn-substantie is, is ze onvergelijkelijk veel meer dan alleen maar de vergaarplaats waarvoor ze door westerse filosofen zo vaak wordt gehouden. (Zie ook heelal, melkweg.)

Rupa (Sanskriet)
Een woord dat ‘vorm’, ‘beeld’, ‘gelijkenis’ betekent, maar dit woord wordt als een technische term gebruikt, en slechts zelden in de algemene zin waarin het gewoonlijk in het Nederlands wordt gebruikt. Het verwijst veeleer naar een verzameling atomen of monaden rond het centrale en inwonende bewustzijn, die een voertuig of lichaam ervoor vormen.

Rupaloka’s zijn dus loka’s of werelden waarin de lichaamsvorm of het voertuig zich heel duidelijk in de stof aftekent, terwijl de arupaloka’s werelden zijn waar de lichaamsvormen of ‘beelden’ zich op een manier aftekenen die voor ons mensen veel minder duidelijk is. Opgemerkt moet worden dat het woord rupa evengoed van toepassing is op de lichamen of voertuigen van zelfs de goden, hoewel laatstgenoemde voor ons zuiver subjectief of arupa (zie aldaar) zijn. (Zie ook loka.)

 


Occulte woordentolk, blz. 169-82

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag