– Q –
Qabbalah
(zie kabbala)
– R –
Rajas
(Sanskriet)
Een van de drie guna’s of ‘eigenschappen’ in de wisselwerking
tussen kracht en stof; de andere twee zijn sattva (zie aldaar) en tamas
(zie aldaar). Rajas is de guna of de ‘eigenschap’ van verlangen,
hartstocht, activiteit, een van de drie aspecten van de natuur. Het
is in zekere zin het resultaat of het gevolg van de oerdrang in de natuur
die verandering en het verlangen daarnaar teweegbrengt.
Rajayoga (zie yoga)
Ras, wortelras
Tijdens de evolutie op onze aarde (en naar analogie eveneens op de zes
andere gemanifesteerde bollen van de planeetketen van de aarde) doorloopt
de mensheid als levensgolf zeven evolutiestadia, die wortelrassen worden
genoemd. Zeven van zulke wortelrassen vormen de evolutiecyclus op deze
bol aarde in deze vierde ronde door de planeetketen; en deze evolutiecyclus
op onze bol aarde wordt één bolronde genoemd. We bevinden
ons nu in het vierde onderras van ons huidige vijfde wortelras op bol
D of onze aarde.
Elk wortelras wordt in onze leringen verdeeld in
zeven onderrassen en elk van deze zeven onderrassen is op zijn beurt
onderverdeeld in zeven vertakkingen of nog kleinere raseenheden, enz.
Iemand die geïnteresseerd is in de evolutie
of ontstaansgeschiedenis van de zeven wortelrassen op onze bol aarde,
wordt in de eerste plaats verwezen naar H.P. Blavatsky’s De
geheime leer en vervolgens naar Beginselen van de esoterische
filosofie.
Elk van de zeven wortelrassen bereikt ongeveer halverwege
zijn ontwikkelingsperiode het hoogtepunt van zijn materiële bloei
en macht. Wanneer de helft van de cyclus van een van de zeven wortelrassen
is afgelegd, wordt het ras door een grote ramp getroffen, want dit is
de manier waarop de natuur werkt. Op dit punt halverwege de ontwikkelingsperiode
van een ras, halverwege het vierde onderras van het moederras of wortelras,
wordt een nieuw wortelras geboren uit het voorafgaande wortelras, en
volgt zijn evolutie van geboorte tot volwassenheid naast, of beter gezegd
samen met, de tweede helft van het voorafgaande moederras of wortelras.
Op deze manier overlappen de wortelrassen elkaar, een heel interessant
feit in de etnologie of de geschiedenis van de rassen. Dit overlappen
vindt ook plaats in de gevallen van de onderrassen en kleinere raseenheden.
Het zal 16.000 à 20.000 jaar duren voordat
de grote ramp van de mensheid zal volgen die ons eigen vijfde wortelras
in tweeën zal splitsen – precies zoals eenzelfde grote ramp
zich voordeed bij de Atlantiërs – of het vierde ras –
die aan ons voorafgingen, en bij de Lemuriërs – of het derde
ras – die aan hen voorafgingen, en zoals de twee wortelrassen
zal overkomen die op het onze zullen volgen, het zesde en het zevende
– want we naderen nu het punt halverwege ons eigen vijfde wortelras,
omdat we dichter bij het punt halverwege het vierde onderras van dit
vijfde wortelras komen. (Zie ook bol, planeetketen, ronde.)
Rechaka
(recaka, Sanskriet)
Een van de oefeningen in het hathayoga-stelsel voor het regelen van
de ademhaling. De adem wordt door een van de neusgaten uitgedreven of
uitgeblazen, terwijl het andere neusgat met de vinger wordt dicht gehouden;
daarna wordt de handeling herhaald met het andere neusgat. Zoals onder
kumbhaka (zie aldaar) is opgemerkt, zijn deze handelingen bijzonder
gevaarlijk voor de gezondheid en het mentale evenwicht, en kunnen niet
worden aangemoedigd. Ze moeten zelfs ten sterkste worden afgeraden.
Rechterpad
(of pad van de rechterhand)
Sinds onheuglijke tijden hebben in alle landen op aarde en onder alle
mensenrassen twee tegenover elkaar staande en elkaar tegenwerkende scholen
van occulte of esoterische training bestaan, waarvan de ene vaak het
pad van licht en de andere het pad van duisternis of van de schaduwen
wordt genoemd. Deze twee paden worden ook vaak als het rechterpad en
het linkerpad aangeduid, en hoewel dit technische benamingen zijn in
het nogal wankele occultisme van het Westen, komen diezelfde uitdrukkingen
overal op de wereld voor en zijn in het bijzonder bekend in de mystieke
en esoterische literatuur van Hindoestan. Het rechterpad is in de Sanskrietgeschriften
bekend als dakshinamarga, en degenen die de gedragsregels daarvan in
praktijk brengen en de voorgeschreven levenswijze volgen, worden aangeduid
met de technische term dakshinacharins en hun levenswijze met dakshinachara.
Omgekeerd worden degenen die het linkerpad volgen – vaak aangeduid
als de broeders van de schaduw of met een soortgelijke term –
vamacharins genoemd en hun school of levenswijze is bekend als vamachara.
Een andere term voor vamachara is savyachara. De witte magiërs
of broeders van licht zijn daarom dakshinacharins en de zwarte magiërs
of broeders van de schaduw, of veroorzakers van spiritueel, verstandelijk
en psychisch kwaad, zijn dus de vamacharins.
Om in de mystieke taal van het oude Griekenland
te spreken: de dakshinacharins of broeders van licht volgen het kronkelende
pad omhoog naar de Olympus, terwijl de vamacharins of broeders van het
linkerpad het gemakkelijke, maar heel gevaarlijke pad volgen dat naar
omlaag voert, naar toestanden van stof en spirituele verduistering van
steeds grotere verwarring en verschrikking. Dit laatste is de facilis
descensus averno (Aeneis, 6:126) – de gemakkelijke afdaling
naar de onderwereld – van de Latijnse dichter Vergilius. Beklagenswaardig
is hij die weigert zijn ziel te verheffen naar de edele en zuiverende
stralen van de spirituele zon binnenin hem, en zijn voet zet op het
pad dat naar omlaag leidt. De waarschuwingen die aan studenten van het
occultisme zijn gegeven, zijn altijd ernstig en dringend geweest, en
geen esotericus zou ooit moeten denken dat hij veilig is of geen risico
meer loopt de weg naar omlaag in te slaan, vóór hij één
is geworden met de goddelijke raadgever in zijn eigen binnenste, zijn
eigen innerlijke god.
Reïncarnatie
Een woord van Latijnse oorsprong met de betekenis van ‘weer in
het vlees komen’, het in een menselijk lichaam terugkeren van
een geëxcarneerde menselijke ziel. De zich herhalende wederbelichaming
van het reïncarnerende menselijke ego in voertuigen van menselijk
vlees is een bijzonder geval van de algemene leer van wederbelichaming.
Deze algemene leer van wederbelichaming heeft niet alleen betrekking
op de mens, maar op alle centra van bewustzijn, of op alle monaden,
waar ze zich ook bevinden op de levensladder van de evolutie, en wat
hun specifieke stadium van ontwikkeling daarop ook is.
De betekenis van deze algemene leer is heel eenvoudig.
Ieder leven-bewustzijn-centrum, met andere woorden iedere monade of
monadische essentie, belichaamt zich telkens opnieuw in verschillende
voertuigen of lichamen, om de alledaagse term te gebruiken. Deze lichamen
kunnen spiritueel of fysiek zijn of een aard bezitten die tussen deze
twee in ligt, d.w.z. etherisch. Deze regel in de natuur, die zonder
uitzondering op alle monaden van toepassing is, werkt in alle verschillende
rijken van het zichtbare en onzichtbare heelal, op al zijn verschillende
gebieden en in al zijn verschillende werelden.
In de theosofische filosofie worden in verband met
wederbelichaming acht woorden gebruikt, die niet allemaal synoniemen
zijn, hoewel sommige van deze acht woorden bijna dezelfde specifieke
betekenis hebben. Deze zijn: preëxistentie, wedergeboorte, wederbelichaming,
palingenese, metensomatose, metempsychose, transmigratie, reïncarnatie
(zie onder ieder woord voor een definitie). Van deze acht woorden kan
van slechts vier worden gezegd dat ze de vier verschillende basisgedachten
van de algemene leer van wederbelichaming bevatten, en deze vier zijn:
preëxistentie, wederbelichaming, metempsychose en transmigratie.
Het woord reïncarnatie is in geen geval identiek
met een van de zeven andere woorden, hoewel het natuurlijk een sterke
overeenkomst vertoont met alle andere, zoals met preexistentie, omdat
het duidelijk is dat de entiteit bestaat voordat ze reïncarneert;
het is ook nauw verbonden met wedergeboorte, wederbelichaming en metensomatose.
Het verschil tussen de betekenis van het woord reïncarnatie
en die van het woord wedergeboorte bestaat vooral hierin dat eerstgenoemde
term eenvoudig wedergeboorte in menselijke lichamen van vlees op deze
aarde betekent, terwijl laatstgenoemde term stilzwijgend, zo niet nadrukkelijk,
ook de mogelijkheid inhoudt van incarnaties in het vlees door wezens
die hun aardse pelgrimstocht of evolutie hebben voltooid maar die naar
de aarde kunnen terugkeren, en dat soms ook doen, om te incarneren met
als doel hun minder ontwikkelde broeders te helpen.
Reïncarnerend
ego
In de verdeling van de menselijke beginselen in drieën (een trichotomie),
namelijk een hogere duade, een tussenliggende duade en een lagere triade
– of respectievelijk geest, ziel en lichaam – is de tweede
of tussenliggende duade, manas-kama of de tussennatuur, de gewone zetel
van het menselijk bewustzijn en bestaat zelf uit twee kwalitatief verschillende
delen: een hoger of aspirerend deel, dat gewoonlijk het reïncarnerende
ego of hogere manas wordt genoemd, en een lager deel dat tot stoffelijke
zaken wordt aangetrokken en het brandpunt is van wat in de gemiddelde
mens tot uitdrukking komt in het menselijke ego, de gewone alledaagse
zetel van zijn bewustzijn.
Wanneer de dood intreedt, raken de sterfelijke en
stoffelijke delen in vergetelheid, terwijl het reïncarnerende ego
de beste en edelste spirituele herinneringen van de gestorven mens meevoert
naar devachan (zie aldaar) of de hemelwereld van postmortale rust en
herstel, waar het ego in de schoot van de monade (of van de monadische
essentie) in een toestand van volmaakte gelukzaligheid en vrede verblijft,
en voortdurend in zijn eigen gelukzalige verbeelding alle onvervulde
spirituele verlangens en wensen van het pas geëindigde leven overziet
en veredelt, verlangens die de devachanische entiteit automatisch worden
ingegeven door zijn natuurlijke scheppende vermogens.
Maar de monade waarover hierboven werd gesproken
gaat in haar omzwervingen vanaf de aarde van sfeer tot sfeer, en draagt
het reïncarnerende ego, of wat we ter vereenvoudiging het kind
van de aarde kunnen noemen, in haar schoot met zich mee. Daar verkeert
dit reïncarnerende ego in een toestand van volmaakte gelukzaligheid
en vrede totdat het moment aanbreekt dat het, na door alle onzichtbare
gebieden te zijn heen gegaan die door ketens van oorzaken met onze eigen
planeet zijn verbonden, weer langzaam door deze hogere tussenliggende
sferen ‘afdaalt’ naar de aarde. Tegelijkertijd begint het
reïncarnerende ego langzaam weer tot zelfbewuste activiteit te
ontwaken. Geleidelijk voelt het, zonder zich aanvankelijk ervan bewust
te zijn, de aantrekking tot de aarde, die voortkomt uit de karmische
zaden van gedachten, emoties en impulsen die in het vorige leven op
aarde werden gezaaid en nu beginnen te ontwaken; en naarmate deze aantrekking
groter wordt, met andere woorden naarmate het reïncarnerende ego
steeds meer ontwaakt, ondervindt het de dominerende invloed van een
sterke psychomagnetische aantrekking die hem naar de aardse sfeer trekt.
Ten slotte breekt het moment aan dat het sterk wordt
aangetrokken tot die familie op aarde waarvan de karmische aantrekkingskracht
of de karmische omstandigheden zijn eigen karaktertrekken het dichtst
benaderen; en dan hecht het zich door psychomagnetische aantrekking
aan het menselijk zaad, of begeeft zich daarin, dat daarna uitgroeit
tot het lichaam van de toekomstige mens. Op deze manier vindt reïncarnatie
plaats en wordt het reïncarnerende ego zich opnieuw bewust van
het leven op aarde in het lichaam van een klein kind.
Relativiteit
De moderne wetenschappelijke relativiteitsleer is, ondanks haar wiskundige
en andere beperkingen, van grote betekenis, omdat ze de metafysica in
de fysica introduceert, breekt met de zuiver speculatieve gedachte dat
bepaalde dingen absoluut zijn in een louter relatief heelal, en ons
opnieuw onderzoek laat doen naar de natuur zoals ze is, en niet zoals
wiskundige theoretici tot nu toe stilzwijgend hebben aangenomen dat
ze is. De relativiteitsleer met haar basisgedachte van relatieve in
plaats van absolute begrippen is juist, maar dat betekent niet dat een
theosoof de conclusies van Einstein of van zijn volgelingen noodzakelijkerwijs
aanvaardt. Laatstgenoemde kunnen waar zijn of niet; de tijd zal het
leren. In ieder geval is relativiteit niet datgene waarvoor ze vaak
ten onrechte wordt gehouden – louter de leer dat ‘alles
relatief is’, wat zou betekenen dat er nergens iets essentieels
of werkelijks bestaat, waaruit andere dingen voortvloeien; met andere
woorden, dat er geen werkelijke of essentieel goddelijke en spirituele
achtergrond van het zijn bestaat. De relativiteitstheorie is een vage
aanduiding, een benadering van een heel oude theosofische lering –
de leer over maya (zie aldaar).
De theosofische lering over relativiteit is als
volgt. Hoewel het heelal een relatief heelal is en daarom ook al zijn
delen relatief zijn – het ene ten opzichte van elk ander of ten
opzichte van alle andere, en alle ten opzichte van het ene – ligt
er toch een onvergankelijke werkelijkheid achter, die de basis of waarheid
van de dingen vormt, waaruit alle verschijnselen in hun ontelbare relatieve
manifestaties voortvloeien. Er is een weg, een pad, waarlangs de mensen
deze werkelijkheid achter de dingen kunnen bereiken, omdat de mens deze
in zich heeft als zijn diepste essentie en daarom als zijn oorsprong.
In ieder mens is deze werkelijkheid die wij allemaal zoeken als basis
aanwezig. Ieder van ons is het pad dat erheen leidt, want het is het
hart van het heelal.
In nog metafysischer zin kan men zeggen dat zelfs
het hart van een heelal relatief bestaat ten opzichte van andere heelallen
met hun hart. Het zou volkomen onjuist zijn te veronderstellen dat er
één absolute werkelijkheid is in de ouderwetse Europese
betekenis, en dat alle relatieve manifestaties daaruit voortvloeien,
en dat deze relatieve manifestaties, hoewel voortgekomen uit deze absolute
werkelijkheid, geen verbindingsschakels hebben door middel waarvan ze
een eenheid vormen met, of die aangeven dat ze hun oorsprong hebben
in, een absolute (zie aldaar) dat nog essentiëler en fundamenteler
en meer omvattend is. Wanneer het denkbeeld van grenzeloze oneindigheid
eenmaal wordt begrepen, beseft een scherpzinnige denker onmiddellijk
dat het eenvoudig hopeloos, en zelfs onmogelijk, is te veronderstellen
dat er een einde of absolute absoluten kunnen zijn, zoals de goddelijke
ultima Thule. Hoe uitgestrekt en kosmisch een absolute misschien ook
is, in de volstrekt grenzeloze oneindigheid zijn er altijd ontelbare
andere absoluten die eraan gelijk of groter zijn.
Religie
Een werking van het spirituele denken van de mens dat niet alleen erop
gericht is het hoe en waarom van de dingen te begrijpen,
maar bovendien een verlangen en streven inhoudt naar zelfbewuste vereniging
met het goddelijke Al en een eindeloos groeiende zelfbewuste vereenzelviging
met de kosmische goddelijk-spirituele werkelijkheden. Ze is één
aspect van een drieledige benadering om het wezen van de natuur, van
de universele natuur en haar veelvormige en veelvoudige werkingen, te
begrijpen; dit aspect kan niet worden gescheiden van de twee andere
aspecten (wetenschap en filosofie) als we een juist inzicht willen verkrijgen
in de dingen zoals ze werkelijk zijn.
Menselijke religie is de uitdrukking van dat aspect
van het menselijk bewustzijn dat intuïtief en mystiek is en aspiraties
koestert, en dat in zijn lagere vormen door het emotionele in de mens
vaak wordt misvormd en verwrongen.
Europeanen leiden het woord religie nu vaak af van
het Latijnse werkwoord religare, dat ‘opnieuw binden’
betekent. Maar er bestaat een andere afleiding, die Cicero verkoos,
die zelf een Romein was en een diepe kennis bezat van zijn eigen landstaal
en grote vaardigheid in het gebruik ervan. Deze andere afleiding komt
van een Latijnse wortel die ‘selecteren’, ‘kiezen’
betekent, waarvan het woord lex, ‘wet’, afkomstig is, d.w.z.
de gedragslijn of gedragsregel die als de beste wordt gekozen en daarom
wordt gevolgd; met andere woorden, die welke de beste in zijn soort
is, zoals door selectie en proefondervindelijk is vastgesteld.
Het woord religie, van het Latijnse religio,
betekent dus een zorgvuldige selectie van essentiële geloofsovertuigingen
en motieven door het hogere of spirituele intellect – een vermogen
dat intuïtief oordeelt en begrijpt – en een consequent vasthouden
aan die keuze, wat leidt tot een levensweg en gedragslijn die in alle
opzichten overeenkomen met de overtuigingen waartoe men is gekomen.
Dit is de religieuze geest.
Hieraan willen theosofen de volgende belangrijke
gedachte toevoegen: achter alle verschillende religies en filosofieën
uit de oudheid ligt een geheime of esoterische wijsheid die werd verkondigd
door de grootste figuren die ooit hebben geleefd, de stichters en bouwers
van de verschillende wereldreligies en wereldfilosofieën; en dit
verheven stelsel van basisbeginselen is overal op aarde altijd hetzelfde
geweest.
Aan dit stelsel zijn verschillende namen gegeven,
bijvoorbeeld de esoterische filosofie, de oude wijsheid, de geheime
leer, de traditionele leer, theosofie, enz. (Zie ook wetenschap, filosofie.)
Ring-verder-niet
Een heel mystieke en veelbetekenende term, die de kring of het terrein
of de grenzen aanduidt waarbinnen het bewustzijn zich bevindt van hen
die nog in de waan verkeren dat ze een opzichzelfstaand bestaan hebben
– en dit is van toepassing ongeacht of de ring groot of klein
is. Dit woord verwijst niet naar één bepaalde omstandigheid
of toestand, maar is een algemene term voor alle bewustzijnstoestanden
waarin een entiteit, die een bepaald stadium van evolutionaire groei
in de ontwikkeling van het bewustzijn heeft bereikt, niet in staat blijkt
een nog hogere bewustzijnstoestand te bereiken als gevolg van een of
andere illusie waarin het bewustzijn verkeert, of deze illusie nu van
mentale of spirituele aard is. Er is voor het bewustzijn een ring-verder-niet
voor elke bol van de planeetketen, een ring-verder-niet voor de planeetketen
zelf, een ring-verder-niet voor het zonnestelsel, enz. Het zijn de entiteiten
die in de illusie verkeren en die daardoor hun eigen ring-verder-niet
scheppen, want het is niet een feitelijke stoffelijke grens van een
entiteit, maar een beperking van het bewustzijn.
Een ring-verder-niet heeft iets weg van een spiritueel
layacentrum (zie aldaar), of een overgangspunt van het ene bewustzijnsgebied
naar het andere.
Zoals hierboven gezegd: ringen-verder-niet hebben
alleen te maken met bewustzijnsstadia of -toestanden. De ring-verder-niet
voor dieren, bijvoorbeeld, is het zelfbewustzijn; dat betekent dat dieren
nog niet in staat zijn gesteld hun bewustzijn tot het punt van zelfbewustzijn
of bespiegelend bewustzijn te ontwikkelen, behalve in geringe mate.
Een hond, bijvoorbeeld, die zich in een kamer bevindt en eruit wil,
zal naar de deur rennen waardoor hij gewend is naar buiten te gaan en
zal daar blijven zitten janken tot de deur wordt geopend. Zijn bewustzijn
weet waar de uitgang is maar heeft niet de zelfbewuste mentale handeling
geleerd om de deur open te doen.
Een algemene ring-verder-niet voor de mensheid is
haar onvermogen zelfbewust deel te hebben aan spiritueel zelfbewustzijn.
Ronde
De leer die betrekking heeft op onze planeetketen, gewoonlijk die van
de zeven ronden genoemd, houdt in dat de levenscyclus of levensgolf
haar evolutiereis begint op bol A, de eerste van de reeks van zeven
(of tien) bollen; dan, na daar haar cyclussen te hebben voltooid, gaat
ze omlaag naar bol B, vervolgens naar bol C, en dan naar bol D, onze
aarde; dan naar bol E op de opgaande boog (zie aldaar), dan naar bol
F en dan naar bol G. Dit zijn de zeven gemanifesteerde bollen van de
planeetketen. Dit is één planeetronde. Na de
planeetronde volgt een planeet- of keten-nirvana, totdat de tweede ronde
op dezelfde manier begint, maar in een verder gevorderd stadium van
evolutie dan in de eerste ronde.
Een bolronde is één van de
zeven rondgangen van een levensgolf in haar planeetronde op één
(en dus op en door elk) van de bollen. Wanneer de levensgolf bijvoorbeeld
door bol D is gegaan en haar cyclussen op bol D heeft beëindigd,
is dat de bolronde van bol D voor die specifieke planeetronde, en eenzelfde
beschrijving kan men geven voor het proces op alle andere bollen. Zeven
wortelrassen vormen één bolronde. Er zijn dus zeven bolronden
(één bolronde voor elk van de zeven bollen) in elke planeetronde.
Zeven planeetronden komen overeen met één
kalpa of manvantara of dag van Brahma. Wanneer zeven planeetronden zijn
voltooid, dat wil zeggen 49 bolronden (of bol-manvantara’s), volgt
een nog hoger nirvana dan dat tussen de bollen G en A na elke planeetronde.
Dit hogere nirvana valt samen met wat een pralaya van die planeetketen
wordt genoemd, en deze pralaya duurt voort totdat de cyclus weer terugkeert
om een nieuwe planeetketen te vormen, die dezelfde menigten levende
wezens bevat als de voorafgaande keten, en die nu zijn voorbestemd om
de nieuwe planeetketen te betreden, maar op een hogere reeks van gebieden
of werelden dan in de voorafgaande.
Nadat er zeven van zulke planeetketens met hun verschillende
kalpa’s of manvantara’s zijn gevormd – deze zevenvoudige
grote cyclus is één zonnemanvantara – verzinkt het
zonnestelsel in de zonne- of kosmische pralaya.
Er bestaan buitenronden en binnenronden. Een binnenronde
wordt gevormd door de reis van de levensgolf in een planeetketen van
bol A tot bol G, en dit gebeurt in een planeetmanvantara zeven keer.
De buitenronde betreft de reis van de hele levensgolf
van een planeetketen langs de circulaties in het zonnestelsel, van een
van de zeven heilige planeten naar een volgende, en dit zeven (of tien)
keer.
Er is nog een ander aspect van de leer over de buitenronden
dat hier niet kan worden toegelicht.
Ruimte
Naar algemeen wordt aangenomen bestaat ons heelal uit ruimte, stof en
energie; maar in de theosofie zeggen we dat ruimte zelf zowel bewust
als substantieel is. Ze is in feite de wortel van de andere twee, stof
en energie, die in wezen één basis hebben, en deze basis
is ruimte – hun essentiële oorzaak, hun instrumentele oorzaak
en ook hun substantiële oorzaak – en dat is de werkelijkheid
van het zijn, het hart van de dingen.
Onze leer is dat er veel heelallen bestaan, en niet
slechts één, ons eigen thuisheelal; daarom zijn er veel
ruimten met een achtergrond van een volkomen onbegrijpelijke grotere
ruimte die alles omvat – een ruimte
die nog etherischer, ijler, spiritueler, zelfs goddelijker is dan de
ruimte-stof die wij kennen, of beter gezegd zoals wij ons die voorstellen,
die in haar laagste aspect de grove fysieke stof manifesteert waarmee
iedereen bekend is. Ruimte is daarom, abstract gezien, zijn,
vol met andere entiteiten en dingen waarvan wij een klein gedeelte zien
– ontelbare bollen, sterren en planeten, nevelvlekken en kometen.
Maar al deze stoffelijke lichamen zijn slechts het
product of resultaat van oneindige aantallen onzichtbare en innerlijke
oorzakelijke gebieden – verreweg het grootste deel van de ruimten
van de Ruimte. De ruimte van elk heelal is dus een entiteit –
een god. In essentie is ze een spirituele entiteit, zelfs een goddelijke
entiteit, waarvan wij niets anders zien dan wat wij mensen het stoffelijke
en energetische aspect noemen – waarachter het oorzakelijke leven,
de oorzakelijke intelligentie, staat.
Het woord wordt in de theosofische filosofie ook
vaak gebruikt om de onmetelijke oneindigheden van het grenzeloze aan
te duiden, en omdat ze het ware esse van leven-bewustzijn-substantie
is, is ze onvergelijkelijk veel meer dan alleen maar de vergaarplaats
waarvoor ze door westerse filosofen zo vaak wordt gehouden. (Zie ook
heelal, melkweg.)
Rupa
(Sanskriet)
Een woord dat ‘vorm’, ‘beeld’, ‘gelijkenis’
betekent, maar dit woord wordt als een technische term gebruikt, en
slechts zelden in de algemene zin waarin het gewoonlijk in het Nederlands
wordt gebruikt. Het verwijst veeleer naar een verzameling atomen of
monaden rond het centrale en inwonende bewustzijn, die een voertuig
of lichaam ervoor vormen.
Rupaloka’s zijn dus loka’s of werelden
waarin de lichaamsvorm of het voertuig zich heel duidelijk in de stof
aftekent, terwijl de arupaloka’s werelden zijn waar de lichaamsvormen
of ‘beelden’ zich op een manier aftekenen die voor ons mensen
veel minder duidelijk is. Opgemerkt moet worden dat het woord rupa evengoed
van toepassing is op de lichamen of voertuigen van zelfs de goden, hoewel
laatstgenoemde voor ons zuiver subjectief of arupa (zie aldaar) zijn.
(Zie ook loka.)