Kosmologie en de oerknal
David Pratt

 

De meeste kosmologen geloven tegenwoordig dat het heelal waarin we wonen zo’n 15 miljard jaar geleden in een titanische explosie of vuurbal die de oerknal wordt genoemd, tot aanzijn kwam. In tegenstelling tot wat men gewoonlijk denkt, beweert de moderne oerknaltheorie niet dat een geconcentreerde klont materie, die zich op een bepaald punt in de ruimte bevond, plotseling ontplofte, waardoor brokstukken met hoge snelheid werden weggeslingerd; ze stelt wel dat de ruimte zelf, tegelijk met de tijd, op het moment van de oerknal ontstonden. De geboorte van het heelal zou zich op de volgende manier hebben voltrokken.1 In het begin kwam spontaan uit het niets een uiterst klein bolletje tijdruimte tevoorschijn, met een doorsnee van een miljard-biljoen-biljoenste centimeter (10-33 cm) als gevolg van een toevallige quantumfluctuatie. Het kwam in de greep van een intense antigravitatie kracht die het met explosieve snelheid deed zwellen. In nauwelijks meer dan een miljard-biljoen-biljoenste seconde zette het heelal zich uit tot ongeveer 10 cm, de omvang van een grapefruit. Daarna verdween de antigravitatie kracht en kwam aan de inflatiefase van versnelde uitdijing abrupt een einde onder een uitbarsting van warmte. De warmte- en gravitatie-energie van de uitdijende ruimte brachten vervolgens materie voort en, naarmate het heelal afkoelde, begonnen zich hoe langer hoe meer structuren ‘uit te kristalliseren’ – eerst atoomkernen, vervolgens atomen en tenslotte melkwegstelsels, sterren en planeten.

Oerknaltheoretici waren vroeger van mening dat op het moment van de oerknal het hele universum was geconcentreerd in een oneindig klein punt van oneindig grote dichtheid en hoge temperatuur, die bekend was als een ‘singulariteit’. In werkelijkheid echter kunnen grootheden niet oneindig groot of oneindig klein worden, omdat het wiskundige abstracties zijn. De meest recente mening van kosmologen is dat singulariteiten niet kunnen bestaan: vóór 10-43 seconde na de oerknal, toen het heelal een doorsnee van 10-33 cm had, wordt, zo zegt men, het onderscheid tussen tijd en ruimte verdoezeld als gevolg van quantumfluctuaties, met als resultaat dat zich nooit een oneindig klein punt kan vormen en het ontstaan van het heelal niet op een nauwkeurig tijdstip plaatsvindt maar wordt ‘uitgesmeerd’.

De oerknaltheorie – het standaard-scheppingsverhaal van de moderne wetenschap – berust in hoofdzaak op drie waarnemingen. Ten eerste heeft men in de eerste decennia van de eeuw ontdekt dat het licht van ververwijderde melkwegstelsels een ‘roodverschuiving’ vertoont, d.w.z. een verschuiving naar de kant van het rood of het langegolf-einde van het spectrum. Dit werd uitgelegd als een teken dat de melkwegstelsels zich met grote snelheid van elkaar verwijderen en dat het heelal uitdijt; hieruit concludeerde men dat het heelal zijn oorsprong had in een enorme explosie. Ten tweede werd in 1964 ontdekt dat het heelal wordt omspoeld door een uniforme microgolfstraling van even onder 3 graden kelvin. Een microgolfachtergrond van hoogstens 30 graden kelvin, als overblijfsel van de oerknal, had men al eerder voorspeld. Ten derde meent men met de oerknaltheorie de betrekkelijke hoeveelheden waterstof, helium en andere lichte elementen in het heelal te kunnen verklaren. In een toelichting op het bewijs van de oerknal schrijft de New Scientist: ‘Nog nooit is zo’n machtig bouwwerk op zulke onsolide fundamenten opgetrokken’.2

Wat de roodverschuiving betreft is het ongetwijfeld juist dat de spectraallijnen in het licht van sterren in ons melkwegstelsel een roodverschuiving vertonen als de sterren zich van ons verwijderen en een blauwverschuiving als ze zich naar ons toe bewegen, wat het gevolg is van respectievelijk het uitrekken en het inkrimpen van de lichtgolven. Aangezien het licht van alle melkwegstelsels op enkele naburige na, een roodverschuiving te zien geeft, zou dit kunnen betekenen dat het heelal zich uitzet. Men zegt dat het oerknalheelal sedert zijn schepping steeds is blijven uitdijen, van 300.000 km in doorsnee na één seconde tot tientallen miljarden lichtjaren in doorsnee nu. De roodverschuiving van het licht van verre melkwegstelsels neemt toe met de afstand en dat betekent, zo legt men het uit, dat melkwegstelsels zich van elkaar af bewegen met een snelheid die tevens toeneemt met de afstand, en dat de snelheid van de verste melkwegstelsels steeds dichter de lichtsnelheid nadert. In werkelijkheid gelooft men niet dat melkwegstelsels zich door de ruimte van elkaar verwijderen, maar dat de ruimte zelf zou uitdijen, zodat de open ruimten tussen de melkwegstelsels worden uitgerekt als een stuk rubber. Kosmologen citeren vaak de analogie van een ballon met gelijkmatig over zijn oppervlak verspreide stippen; naarmate de ballon opzwelt, ‘bewegen’ de stippen zich verder uit elkaar. De stippen stellen clusters melkwegstelsels voor en de ballon de ruimte-tijd structuur.

Er zijn evenwel andere uitleggingen van de roodverschuiving mogelijk, waarvan de voornaamste de hypothese van het ‘vermoeide licht’ is, die zegt dat de roodverschuiving wordt teweeggebracht doordat het licht op zijn reis door de ruimte energie verliest. Er bestaan twee versies van deze theorie. De eerste zegt dat lichtdeeltjes energie verliezen wanneer ze in botsing komen met stofdeeltjes in het intergalactische medium. Om echter het totaal van de waargenomen roodverschuivingen te verklaren, zou het intergalactische medium 100.000 maal dichter moeten zijn dan men plaatselijk heeft waargenomen. De tweede mogelijkheid is dat het licht energie verliest als het zich door de ether beweegt, een subtiel medium dat de hele ruimte doordringt en het substraat vormt van alle fysieke materie (het intergalactische medium van fysiek gas en stof inbegrepen). Het bestaan van de ether is door de eeuwen heen door mystieke filosofen verdedigd; het komt overeen met wat de meeste fysici van tegenwoordig bij voorkeur het ‘quantumveld’ of ‘quantumvacuüm’ noemen, hoewel sommigen van hen toch weer de term ‘ether’ gaan gebruiken. Deze verklaring van de roodverschuiving is aan de hand gedaan door G. de Purucker en op jongere datum door Jean-Paul Vigier, een vooraanstaand Frans fysicus.3 Momenteel is er geen afdoend bewijs dat een uitdijend heelal de juiste verklaring is. Zoals één oerknalkosmoloog opmerkt, ‘de onplezierige gedachte blijft hangen: zouden we het helemaal bij het verkeerde eind kunnen hebben?’4

Volgens het oerknalmodel duidt de uniforme microgolfachtergrondstraling erop dat de stof in het jonge heelal uiterst gelijkmatig was verspreid. Er is lange tijd geen bewijs geweest van mogelijke fluctuaties of ‘klontvorming’ van waaruit melkwegstelsels zich zouden hebben kunnen verdichten. In april l992 werd echter bekendgemaakt dat de Cosmic Background Explorer (COBE) satelliet van NASA minuscule inhomogeniteiten of ‘rimpelingen’ in de achtergrondstraling had ontdekt. Hoewel sommige wetenschappers deze resultaten begroetten als de ontdekking van de Heilige Graal, namen anderen een nuchterder standpunt in, omdat de fluctuaties veel te groot in omvang zijn om de voorouders te zijn van melkwegstelsels en clusters die nu worden waargenomen, en de fluctuaties zijn slechts ca. één 30 miljoenste van een kelvin – veel te nietig om op te treden als het zaad waaruit zich structuren vormen. Terwijl dus de ontdekkingen van COBE bij oerknaltheoretici een gunstig onthaal vonden, ‘verwezen ze tegelijkertijd de meeste specifieke modellen van kosmologen voor de vorming van het heelal naar de prullemand’.5

Behalve de microgolfachtergrond is er een uniforme achtergrond van radiogolven, röntgenstralen, gammastralen en kosmische stralen, die geen van alle worden verklaard in termen van de oerknal. Men denkt dat de hoofdbron van bijvoorbeeld de kosmische stralingsachtergrond supernova-explosies zijn, terwijl de diffuse röntgenstraling mogelijk door intergalactisch gas of door een zeer groot aantal extragalactische röntgenbronnen wordt uitgezonden. Verscheidene wetenschappers hebben geopperd dat de microgolfachtergrond ook een andere oorsprong dan de oerknal kan hebben. Als al het waargenomen helium in sterren zou worden geproduceerd, zou de vrijgekomen energie precies de juiste hoeveelheid zijn om de microgolfachtergrond voort te brengen. Om de grote variaties glad te strijken en alleen de door COBE waargenomen zeer kleine fluctuaties over te laten, zou de straling moeten zijn verspreid door een proces van absorptie en re-emissie. Chandra Wickramasinghe en Fred Hoyle hebben te kennen gegeven dat dit gedaan zou kunnen zijn door uiterst kleine draadvormige ijzerkristallen in de intergalactische ruimte.6 De plasmafysici Eric J. Lerner en Tony Peratt denken dat dit ook zou kunnen plaatsvinden door energierijke elektronen, die in spiraalvormige banen om de veldlijnen van magnetische velden in de intergalactische ruimte bewegen. Aan het bestaan van een dergelijke ‘radio-nevel’ tussen de sterrenstelsels wordt kracht bijgezet door andere waarnemingen. Als die inderdaad bestaat, zou dit het ontstaan van de microgolfachtergrond uit een oerknal uitsluiten, omdat daardoor vervormingen teweeg zouden worden gebracht in het zwartlichaam-spectrum van een microgolfachtergrond die uit een oerknal voortkwam, maar zulke vervormingen zijn niet waargenomen.7

Men neemt aan dat het merendeel van de chemische elementen in het heelal is voortgebracht door nucleaire reacties in sterren, maar deze verklaring gaat niet op voor enkele van de lichtste elementen. Deze zouden kunnen zijn voortgebracht in een oerknal, en de oerknaltheorie voorspelt wat hun hoeveelheid zou moeten zijn. Recente waarnemingen hebben evenwel aangetoond dat er minder helium en veel minder deuterium en lithium in het heelal is dan de theorie voorspelt.8 De voornaamste uitdaging waarvoor de bestrijders van de oerknal zich geplaatst zien, is een verklaring te geven voor de aanwezigheid van 24% helium, die onmogelijk door bestaande sterren alleen kan zijn geproduceerd – zeker niet in de tijd die de oerknaltheorie daarvoor aangeeft. Het zou evenwel kunnen worden verklaard indien, zoals sommige astronomen geloven, de vorming van een generatie van massieve kortlevende sterren plaatsvond in de eerste vormingsstadia van een melkwegstelsel, die vervolgens als supernova’s explodeerden, waardoor het helium door de hele ruimte werd verspreid.9

Oerknaltheorieën bevatten kennelijk veel hoogst speculatieve en tamelijk exotische denkbeelden, waarvan vele absoluut niet voor toetsing vatbaar zijn. Maar het feit dat een bepaald scenario theoretisch mogelijk is en dat ingewikkelde wiskundige stellingen kunnen worden ontworpen om het te onderbouwen, hoeft niet te betekenen dat het ooit is gebeurd, zelfs al is het verenigbaar met kenmerken van het heelal die we nu waarnemen. G. de Purucker wijst erop dat, al is de wiskunde een zeer waardevol instrument van het menselijk denken, zijzelf geen waarheid kan fabriceren, want ‘de wiskundige molen brengt alleen voort wat erin wordt gestopt’; de resultaten hangen af van de veronderstellingen, maar deze kunnen onjuist zijn. Hij zegt ook:

wetenschappelijke theorieën en speculaties worden in bepaalde opzichten zo metafysisch, dat ze op zekere punten niet alleen beginnen samen te vallen met de leringen van de esoterische filosofie, maar in enkele gevallen deze leringen werkelijk voorbijschieten en een andere koers inslaan.10

De Purucker verwierp de theorie die werd opgesteld door de Belgische priester en kosmoloog, Georges Lemaître – de vader van de oerknal – die betoogde dat het waarneembare heelal tot zijn huidige omvang is uitgedijd uit een ‘oeratoom’, en opperde in plaats daarvan dat de roodverschuiving kan worden veroorzaakt door licht dat een vorm van vertraging ondergaat als het door de ether van de ruimte trekt voordat het de aarde bereikt. Hij schreef:

Het occultisme bevestigt dat er in alle dingen, de grote zowel als de kleine, of het een heelal, een zon, een mens, of een ander wezen is, een voortdurende, eeuwige, cyclische diastole en systole plaatsvindt, overeenkomstig die van het menselijk hart. [Deze kosmische hartslag] lijkt in het geheel niet op het uitdijend heelal. Het geraamte of lichaam van het heelal, of we met dit woord het melkwegstelsel of een verzameling melkwegstelsels bedoelen, is tijdens de periode van zijn manvantara [actieve levensperiode] stabiel, zowel wat de relatieve structuur als de vorm betreft – net als het menselijk hart, wanneer dit eenmaal zijn volle wasdom en werking heeft bereikt.11

Dus zelfs al zou men kunnen aantonen dat alle melkwegstelsels zich momenteel van elkaar af bewegen, dan hoeft dat niet te betekenen dat we, door eenvoudig terug in de tijd te extrapoleren, daaruit kunnen concluderen dat in het verre verleden alle materie van het heelal geconcentreerd was in een enkel microscopisch punt.

De oerknalhypothese is kennelijk nog niet bewezen en daarom is het van belang dat alle alternatieven onbevooroordeeld worden besproken. Helaas schijnt de oerknal voor een groot aantal wetenschappers een geloofsartikel te zijn geworden; in 1951 kreeg ze zelfs de zegen van Paus Pius XII! Geoffrey Burbidge wijst erop dat astronomische leerboeken de kosmologie niet langer behandelen als een open onderwerp en dat kosmologen vaak onverdraagzaam zijn als het om opvattingen gaat die afwijken van het oerknalgeloof. Onderzoekers die de heersende orthodoxie in twijfel trekken, ondervinden dat het gewoonlijk moeilijker is om financiële steun te verkrijgen, van uitrustingen gebruik te maken en hun artikelen gepubliceerd te krijgen. Enkele jaren geleden werd Halton Arp telescooptijd geweigerd aan de sterrenwachten van Mount Wilson en Palomar, omdat zijn observatieprogramma bewijzen had gevonden die in strijd waren met het standaard-oerknalmodel.12

Een alternatief model dat eens evenveel waardering genoot als de oerknal is de ‘steady state’ theorie, die in l948 voor het eerst werd voorgesteld door Hermann Bondi, Thomas Gold en Fred Hoyle. Ook dit model gaat ervan uit dat het heelal uitdijt, maar stelt dat het in ruimte en tijd geen begin of einde heeft. Het heelal handhaaft een constante gemiddelde dichtheid, omdat materie en energie voortdurend worden gecreëerd om nieuwe sterren en melkwegstelsels te vormen in hetzelfde tempo waarin de oude niet langer waarneembaar worden als gevolg van hun toenemende afstand. Toen men de kosmische microgolf-achtergrondstraling ontdekte, werd die algauw begroet als de vage nagloeiing van de oerknal, en trok het ‘steady state’ model niet langer veel aandacht.

De kosmologen Fred Hoyle, Geoffrey Burbidge en Jayant Narlikar hebben onlangs een gedetailleerd ‘quasi-steady state’ model van het heelal ontwikkeld. Evenals in het oorspronkelijke model stellen ze dat het heelal altijd heeft bestaan, maar ze hebben het denkbeeld van de onafgebroken schepping van materie laten varen, in plaats waarvan ze opperen dat er zich 10 à 15 miljard jaar geleden een reeks van grote scheppings-gebeurtenissen of kleine oerknallen heeft voorgedaan, waardoor ons deel van het heelal ging uitdijen. Sindsdien bleven zich kleinere scheppings-gebeurtenissen voordoen, die energetische objecten voortbrachten, zoals quasars en radiosterrenstelsels. In de toekomst zal echter de uitdijing van ons deel van het heelal afnemen, wat de vorming van nieuwe scheppingscentra en opnieuw een episode van grote scheppingsgebeurtenissen mogelijk maakt. Hoyle en zijn collega’s zeggen dat het nieuwe model ‘niet bedoeld is om een kant en klaar beeld van de kosmologie te geven, [maar] om de deur te openen naar nieuwe opvattingen, die tegenwoordig worden geblokkeerd doordat men zich blindstaart op de oerknalkosmologie’.13

Er is een overvloed van bewijzen voor de doorgaande vorming van astronomische structuren. Ook nu nog worden er sterren geboren, zoals in de Orionnevel in ons eigen melkwegstelsel. De standaard-oerknaltheorie voorspelt dat alle melkwegstelsels zich in een betrekkelijk korte periode hebben gevormd en dat ze alle tussen de 10 en 15 miljard jaar oud moeten zijn. Maar onderzoekingen door de Infrarood Astronomische Satelliet (IRAS) geven verscheidene gevallen te zien van melkwegstelsels, die ‘jong’ zijn ten opzichte van sterren die daarbinnen zijn aangetroffen. Astronomen hebben ook buitengewoon oude melkwegstelsels ontdekt die blijkbaar zijn gevormd lang voordat het oerknalheelal voldoende kon zijn afgekoeld. De tijdschaal voor de vorming van melkwegstelsels is blijkbaar ingewikkelder dan men aanvankelijk dacht.

In 1986 heeft men ontdekt dat er behalve clusters en superclusters van melkwegstelsels ook supercluster-complexen zijn – reusachtige galactische ketens die een ruimte van meer dan een miljard lichtjaar beslaan en van elkaar gescheiden zijn door enorm grote leegten. Omdat geen enkele versie van de oerknal het bestaan van zulke gigantische structuren heeft voorspeld, bezagen kosmologen de nieuwe ontdekking met ongerustheid. Door de snelheden te meten waarmee melkwegstelsels zich nu bewegen en de afstand die ze zouden hebben afgelegd om dergelijke structuren te vormen, heeft men geschat dat er minstens 100 miljard jaar nodig zou zijn geweest om deze complexen te bouwen – 5 tot 12 maal de leeftijd die aan het heelal door de oerknaltheorie wordt toegeschreven. Het is mogelijk dat de materie zich in het verleden veel sneller voortbewoog en later vaart minderde, maar deze vertraging zou vervormingen van verscheidene percenten hebben teweeggebracht in het zwartlichaam-spectrum van de microgolfachtergrond en men heeft geen vervormingen van die aard waargenomen.14

 

Verwijzingen

  1. P. Davies & J. Gribbin, The Matter Myth, Simon & Schuster/Touchstone, 1992, blz. 162-73.
  2. New Scientist, 21/28 december 1991, blz. 3.
  3. De Esoterische Traditie, Theosophical University Press, 2001, blz. 224-6; E.J. Lerner, The Big Bang Never Happened, Vintage Books, 1992, blz. 429.
  4. J. Silk, The Big Bang, W.H. Freeman and Company, 1989, blz. 396.
  5. Scientific American, juli 1992, blz. 9.
  6. New Scientist, 2 maart 1991, blz. 51.
  7. The Big Bang Never Happened, blz. 50-1, 268-78.
  8. Ibid., blz. xviii-xx.
  9. Ibid., blz. 266-7.
  10. Bron van het Occultisme, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1990, blz. 89.
  11. Ibid., blz. 90.
  12. Scientific American, februari 1992, blz. 96.
  13. New Scientist, 27 februari 1993, blz. 14.
  14. The Big Bang Never Happened, blz. 31.

 

Kosmologie en de oerknal – 2

Volgens de oerknaltheorie leven we in een uitdijend heelal dat ontstond in een kolossale explosie, die niet alleen de oorsprong van kracht en stof betekende, maar ook van ruimte en tijd. Deze hypothese wordt door het merendeel van de tegenwoordige kosmologen aanvaard, maar beslist niet door allen. Een alternatief voor de oerknal die langzaam veld wint is de plasmakosmologie, een theorie waarvoor de Zweedse astrofysicus en Nobelprijswinnaar Hannes Alfvén baanbrekend werk deed dat in de vijftiger jaren begon. Net als de ‘steady state’ theorie stelt deze voor dat het heelal oneindig is in ruimte en tijd en voortdurend evolueert. Ook Alfvén verklaart de roodverschuiving als een teken dat de melkwegstelsels zich van elkaar verwijderen, maar hij meent dat dit misschien alleen betrekking heeft op ons eigen deel van het heelal en dat het veroorzaakt werd door een reeks materie-antimaterie explosies miljarden jaren geleden. Eric J. Lerner, een andere verdediger van het ‘plasma-heelal’, meent echter dat er nog veel meer werk moet worden verricht om de verschillende verklaringen van de roodverschuiving te toetsen.1

Plasma – ook wel de vierde toestand van stof genoemd – is een elektrisch geleidend gas dat uit een grote dichtheid van elektronen en ionen bestaat. Meer dan 99% van de gewone stof in het heelal verkeert in de plasma-toestand, waaronder sterren, de buitenatmosfeer van planeten, en de interplanetaire, interstellaire en intergalactische materie. Voornamelijk dankzij het pionierswerk van Alfvén is de betekenis van plasma’s, elektrische stromen en magnetische velden bij de vorming en evolutie van het zonnestelsel nu vastgesteld. Toch geloven de meeste kosmologen nog steeds dat elektrische en magnetische krachten van ondergeschikte betekenis zijn voor het verklaren van de vorming en evolutie van melkwegstelsels en multigalactische structuren. De oerknaltheorie voorspelt in feite dat galactische magnetische velden zwakker moeten zijn hoe verder het melkwegstelsel is verwijderd en hoe jonger het is in verhouding tot de oerknal, maar tot nu toe wordt deze voorspelling door waarnemingen weersproken.2

Bij het verklaren van de grootschalige structuur van het heelal beroepen oerknalkosmologen zich het liefst alleen op de zwaartekracht, naast donkere materie, waarvan het meeste zou bestaan uit tot dusver nog niet ontdekte stofdeeltjes (WIMPs, of weakly interacting massive particles [zwak wisselwerkende massieve deeltjes]) en breuken in de ruimte-tijd-structuur (zoals eendimensionale kosmische snaren) die zijn overgebleven van de oerknal. Er zijn echter onlangs twee ververwijderde galactische superclusters ontdekt en volgens de astronoom Ken Croswell zal het voor kosmologen heel moeilijk zijn om uit te leggen hoe zulke uitgestrekte ketens van melkwegstelsels zich zo snel na de oerknal hebben kunnen vormen.

De ontdekking van zulke objecten op recordafstanden tart het idee dat het grootste deel van het heelal uit koude donkere materie bestaat – langzaam bewegende subatomaire deeltjes, die tot nu toe niet zijn waargenomen. In dit model vormen grote structuren in het heelal zich langzaam uit kleinere. De aanwezigheid van twee superclusters zo snel na de oerknal zou het model, dat toch al in moeilijkheden verkeert, volledig teniet kunnen doen.3

Het is al enige tijd bekend dat modellen van koude donkere materie niet gelijktijdig de structuur van het heelal op galactische en op multigalactische schaal correct kunnen simuleren. Veel kosmologen menen dat ‘één manier om de modellen aan te passen is een vleugje hete donkere materie met de koude donkere materie te mengen’.4 Hete donkere materie zou bestaan uit snelbewegende deeltjes en de meest voor de hand liggende kandidaat daarvoor is het neutrino. Uit de jongste berekeningen blijkt echter dat het neutrino niet voldoende massa bezit om een rol van betekenis te spelen bij de vorming van melkwegstelsels.5

Volgens het gangbare ‘inflatie’-model van de oerknal onderging het heelal binnen de eerste seconde na de oerknal een zeer korte periode van versnelde expansie. Dit model werd in 1980 voor het eerst voorgesteld om de gelijkmatigheid van de microgolfachtergrondstraling te verklaren en een aantal andere problemen op te lossen. Het model schrijft voor dat de materie in het heelal een bepaalde kritische dichtheid moet bezitten en omdat de densiteit van zichtbare materie maar een fractie van die waarde is, luidt de conclusie van kosmologen dat er ongeveer honderdmaal meer donkere materie in het heelal moet zijn dan zichtbare. Er is geen waargenomen bewijs voor zo’n enorme hoeveelheid donkere materie. Waarnemingen van de snelheid waarmee melkwegstelsels roteren en de snelheid waarmee ze in clusters bewegen hebben de meeste astronomen tot de conclusie gebracht dat melkwegstelsels zijn ingebed in een omhulsel van donkere materie die bestaat uit vijf- tot tienmaal de hoeveelheid van de zichtbare materie die ze bevatten. Maar zelfs aan die opvatting twijfelen enkele wetenschappers, die het bewijsmateriaal op andere wijzen uitleggen, waardoor het bestaan van nieuwe exotische vormen van fysieke stof niet nodig is.6

Plasma-kosmologen stellen zich een heelal voor dat door uitgestrekte elektrische stromen en krachtige magnetische velden wordt doorsneden en dat door elektromagnetisme zowel als door zwaartekracht wordt geordend en beheerst. De niet-homogene en draadvormige structuur van het heelal is geen verrassing, want vrijwel elk plasma doet van nature niet-homogene massa’s ontstaan en strengelt zich ineen tot dichte, wervelende draden en deze zijn in het laboratorium, in de zon, in nevelvlekken en in de kern van ons melkwegstelsel waargenomen. Uiterst kleine plasma’s die in het laboratorium met hoge snelheid op elkaar worden afgevuurd krimpen en strengelen zich ineen tot de sierlijke vormen van spiraalnevels en roepen het idee op dat sterrenstelsels zelf wellicht zijn voortgebracht door werveldraden op een veel grotere schaal.

Volgens de oerknaltheorie kan het heelal ‘open’ of ‘gesloten’ zijn, afhankelijk van de hoeveelheid materie die het bevat. Als de dichtheid van de materie een bepaalde waarde te boven gaat, wordt de ruimte door de zwaartekracht gekromd in zichzelf, zodat het heelal gesloten en eindig is, maar geen grenzen of randen heeft. Als de dichtheid onder de kritische waarde ligt, is de ruimte open en oneindig. In beide gevallen dijt de ruimte uit, ook al is er buiten het heelal niets om in uit te dijen! Men zegt dat het lot van het oerknal-heelal afhangt van het open of gesloten zijn. Als het heelal gesloten is, zal de zwaartekracht het uiteindelijk ertoe brengen zijn expansie te stoppen, en dan zich te gaan samentrekken tot alle materie weer is samengeperst tot een uiterst klein volume, resulterend in een ‘eindkrak’ – een catastrofale implosie als een omgekeerde oerknal. Het heelal zou dan kunnen terugspringen in een nieuwe cyclus van oerknal en eindkrak. Is het heelal echter open, dan dijt het eeuwig uit; sterren zullen tenslotte opbranden, de materie zal volkomen koud worden, alle krachten zullen verdwijnen en het heelal zal een ‘warmte-dood’ ondergaan. Volgens de astrofysicus Joseph Silk is dit laatste het meest waarschijnlijke scenario.7

De hindoemythologie spreekt over het inademen en uitademen van Brahma, de kosmische godheid, wanneer werelden zich ontwikkelen uit, en zich later terugtrekken in, de boezem van Brahma. Sommige mensen hebben parallellen getrokken tussen dit idee en dat van een oscillerend heelal, dat afwisselend uitdijt en weer inkrimpt. Maar er is nog een verklaring. Als het ontstaan van werelden wordt besproken in De Geheime Leer, citeert H.P. Blavatsky het volgende uit de Stanza’s van Dzyan: ‘De moeder [Ruimte] zwelt, zet zich van binnen naar buiten uit, zoals de knop van de lotus’ (Stanza III.1). Ze voegt er de volgende verklaring aan toe:

Het zich ‘van binnen naar buiten’ uitzetten van de moeder, elders de ‘wateren van de Ruimte’, de ‘universele moederschoot’, enz. genoemd, doelt niet op een uitzetting vanuit een kleine kern of brandpunt, maar betekent de ontwikkeling van onbegrensde subjectiviteit tot even onbegrensde objectiviteit, ongeacht de omvang of de begrenzing of het gebied. . . . Dit betekent dat deze uitzetting, die niet uit een toeneming in omvang bestond – want oneindige uitgebreidheid staat geen vergroting toe – een verandering van toestand was.    – I: 93-4

Met andere woorden, het uitdijen kan ook betrekking hebben op de emanatie of ontvouwing van steeds dichtere gebieden of sferen vanuit de geestelijke top van een hiërarchie tot de laagste en meest stoffelijke wereld wordt bereikt. In het midden van de evolutionaire cyclus begint het omgekeerde proces: de lagere werelden worden langzaam onstoffelijker of etherischer en worden ingevouwen of ingetrokken in de hogere werelden; ‘als een boekrol worden de hemelen samengerold’ (Jesaja 34:4).

De evolutie en involutie van werelden betekent niet dat de ruimte zelf uit het niets tevoorschijn schiet, zich als elastiek uitrekt en later inkrimpt om in het niets te verdwijnen. Het zijn de werelden in de ruimte – planeten, sterren, enz. – die eerst stoffelijk en dan etherisch worden. Met onze lichamelijke zintuigen kunnen we alleen objecten op het stoffelijk gebied zien die uit dezelfde soort materie bestaan als wijzelf. Maar als de materie van het stoffelijk heelal slechts een zeer kleine reeks uitmaakt in een oneindig continuüm van mogelijke graden van stof, dan moeten er ontelbare elkaar doordringende werelden en gebieden zijn, zowel grover als etherischer dan de onze, die buiten ons waarnemingsbereik liggen en die alle een eigen overeenkomstige tijd- en ruimteschaal hebben. De oneindige totaliteit van werelden en gebieden vullen niet alleen de ruimte, maar ze zijn de ruimte.

Volgens de theosofie komt geen enkel ding of wezen – hetzij atoom, mens, planeet, ster, melkwegstelsel of heelal – toevallig uit het niets tevoorschijn. Een stoffelijk wezen wordt geboren omdat een innerlijk wezen of een ziel zich opnieuw belichaamt en iedere nieuwe belichaming is het karmische resultaat van de voorafgaande belichaming. Er is geen absoluut begin of einde aan de evolutie, er zijn alleen betrekkelijke begin- en eind- (of rust-) punten. Men zegt dat tijdens het leven van een zonnestelsel planeten zich vele malen, op veel verschillende gebieden wederbelichamen, een dalende boog doorlopen naar de stoffelijke gebieden, gevolgd door een klimmende boog naar de geestelijke gebieden. Naar analogie belichamen zich sterren vele malen tijdens de levensduur van een melkwegstelsel. Het waarneembare heelal bevat ongeveer 100 miljard melkwegstelsels. Misschien vormt deze verzameling melkwegstelsels een betrekkelijk onafhankelijk geheel, dat er slechts één is van een oneindig aantal van zulke ‘heelallen’ en gaan, tijdens de levensduur van een heelal, de melkwegstelsels die het samenstellen door vele wederbelichamingen heen. Die heelallen kunnen op hun beurt zijn opgenomen in ‘superheelallen’, enzovoorts, ad infinitum.

Dit wijst erop dat de vorming van melkwegstelsels en van sterren min of meer onafgebroken plaatsvindt tijdens het bestaan van ons heelal. Omstreeks 1920 opperde de wetenschapper Sir James Jeans dat zich in de diepten van de ruimte ‘singuliere punten’ bevinden, waardoor energieën en substanties onze eigen wereld binnenkomen vanuit een andere ‘dimensie’ of een ander gebied. In de theosofie wordt dezelfde functie vervuld door ‘laya-centra’ (letterlijk ‘oploscentra’). Er vindt een constante circulatie plaats van energie-substanties door de verschillende gebieden en op hun weg van het ene naar het volgende gaan substanties door een laya-toestand.

In de zeer verre toekomst zal aan de levensduur van het waarneembare heelal een einde komen. We behoeven helemaal niet aan te nemen dat alle materie en energie zal worden gecomprimeerd tot een enkel punt door een ‘grote samenpersing’. Een andere mogelijkheid is dat fysieke materie etherisch wordt en ‘wegstraalt’, en dat, wanneer planeten en zonnen sterven en in hun samenstellende delen uiteenvallen ze ‘oplossen’ in onzichtbaarheid en een toestand van rust en homogeniteit ingaan.

De rustperiode van ons heelal zal ontelbare aeonen duren. We kunnen ons voorstellen dat bij de dageraad van de volgende cyclus van activiteit, levensimpulsen vanuit innerlijke gebieden via laya-centra het stoffelijk gebied binnengaan, de kosmische schoot van de ruimte bevruchten en zich naar buiten bewegen; niet materie uit het niets scheppen, maar slapende materie weer tot leven wekken, waarna deze begint te differentiëren en te verdichten tot melkwegstelsels en zonnestelsels, die vervolgens tijdens de levensduur van ons heelal vele belichamingen meemaken. Als de verschillende werelden of bollen eenmaal zijn gevormd door de meest geestelijke rijken die werken met de elementale en minerale rijken, dan kunnen de andere natuurrijken – plantenrijk, dierenrijk, mensenrijk en bovenmenselijke rijken – geleidelijk verschijnen naarmate hun slapende prototypen op het astrale gebied ontwaken en verstoffelijken, om opnieuw een woonplaats te worden voor evoluerende zielen.

Volgens de oerknaltheorie werd het heelal ongeveer 15 miljard jaar geleden geschapen. Onlangs gaf de plasma-kosmoloog Eric J. Lerner te kennen dat het waarneembare heelal wel biljoenen jaren oud kan zijn. Hij beschrijft een scenario waarin de huidige evolutiecyclus meer dan 3 biljoen jaar geleden begon met het tot leven wekken van een oorspronkelijk, homogeen waterstofplasma, dat daarna differentieerde en samenklonterde tot astronomische structuren.8 Het getal van biljoenen jaren begint de enorm lange tijdsperioden te naderen die in de theosofie worden genoemd, die verklaart dat de nu aan de gang zijnde grote evolutiecyclus – waarvan ons eigen zonnestelsel een deel vormt – meer dan 155 biljoen jaar aan de gang is. In deze periode zijn er vele planetaire en solaire belichamingen geweest.9

In het midden van de zeventiende eeuw deed aartsbisschop James Ussher uit Ierland de opzienbarende onthulling dat God hemel en aarde schiep op 22 oktober 4004 v.C., om 8 uur ’s avonds! Dit werd later door de Engelse bijbelkenner dr. John Lightfoot gewijzigd, die als datum voor de schepping van Adam 23 oktober 4004 v.C. om 9 uur ’s morgens vaststelde! Ons inzicht in de stoffelijke wereld is sindsdien geweldig gegroeid, hoofdzakelijk dankzij de in de natuurwetenschappen gemaakte vorderingen. Het kan echter niet ontkend worden dat er nog geweldige hiaten blijven bestaan in de wetenschappelijke kennis en alles bijeengenomen kan de natuurwetenschap maar weinig licht werpen op de niet-stoffelijke factoren die volgens de occulte filosofie een doorslaggevende rol spelen bij de vorming en ordening van de stoffelijke wereld. Er is op het ogenblik geen enkele kosmologische theorie die al het waargenomen bewijsmateriaal kan verklaren. Het wetenschappelijke inzicht in sterren en zonnestelsels is nog heel onvolledig en de vorming en evolutie van melkwegstelsels blijven een mysterie, evenals quasars en ‘zwarte gaten’. Veel oerknaltheoretici kunnen wel denken dat ze weten wat er gebeurde tijdens het eerste biljoenste deel van een seconde na het moment van de schepping van het hele universum, maar zoals één wetenschapper opmerkte: ‘Iedere generatie denkt dat ze de antwoorden bezit en iedere generatie wordt door de natuur beschaamd’.10

 

Verwijzingen

  1. Zie ‘Kosmologie en de oerknal – 1’, Sunrise, nov/dec 1993, blz. 208-15.
  2. New Scientist, 28 maart 1992, blz. 24.
  3. New Scientist, 6 maart 1993, blz. 16.
  4. Scientific American, januari 1993, blz. 14.
  5. New Scientist, 12 juni 1993, blz. 18.
  6. W. & K. Tucker, The Dark Matter, Quill, 1988, blz. 194-204; E.J. Lerner, The Big Bang Never Happened, Vintage Books, 1992, blz. 36-9, 240-1.
  7. The Big Bang, W.H. Freeman and Company, blz. 367.
  8. The Big Bang Never Happened, blz. 295-301.
  9. Zie G. de Purucker, Aspecten van de Occulte Filosofie, TUPA, 1999, blz. 356-9; Beginselen van de Esoterische Filosofie, TUPA, 1998, blz. 181, 460.
  10. Scientific American, juli 1992, blz. 12.
Oerknal, zwarte gaten en gezond verstand
 
Wetenschap: Sterrenkunde en kosmologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1993 en jan/feb 1994

© 1993 Theosophical University Press Agency