De meeste kosmologen geloven tegenwoordig dat het heelal waarin we
wonen zo’n 15 miljard jaar geleden in een titanische explosie
of vuurbal die de oerknal wordt genoemd, tot aanzijn kwam. In tegenstelling
tot wat men gewoonlijk denkt, beweert de moderne oerknaltheorie niet
dat een geconcentreerde klont materie, die zich op een bepaald punt
in de ruimte bevond, plotseling ontplofte, waardoor brokstukken met
hoge snelheid werden weggeslingerd; ze stelt wel dat de ruimte zelf,
tegelijk met de tijd, op het moment van de oerknal ontstonden. De geboorte
van het heelal zou zich op de volgende manier hebben voltrokken.1
In het begin kwam spontaan uit het niets een uiterst klein bolletje
tijdruimte tevoorschijn, met een doorsnee van een miljard-biljoen-biljoenste
centimeter (10-33 cm) als gevolg van een
toevallige quantumfluctuatie. Het kwam in de greep van een intense antigravitatie
kracht die het met explosieve snelheid deed zwellen. In nauwelijks meer
dan een miljard-biljoen-biljoenste seconde zette het heelal zich uit
tot ongeveer 10 cm, de omvang van een grapefruit. Daarna verdween de
antigravitatie kracht en kwam aan de inflatiefase van versnelde uitdijing
abrupt een einde onder een uitbarsting van warmte. De warmte- en gravitatie-energie
van de uitdijende ruimte brachten vervolgens materie voort en, naarmate
het heelal afkoelde, begonnen zich hoe langer hoe meer structuren ‘uit
te kristalliseren’ – eerst atoomkernen, vervolgens atomen
en tenslotte melkwegstelsels, sterren en planeten.
Oerknaltheoretici waren vroeger van mening dat op het moment van de
oerknal het hele universum was geconcentreerd in een oneindig klein
punt van oneindig grote dichtheid en hoge temperatuur, die bekend was
als een ‘singulariteit’. In werkelijkheid echter kunnen
grootheden niet oneindig groot of oneindig klein worden, omdat het wiskundige
abstracties zijn. De meest recente mening van kosmologen is dat singulariteiten
niet kunnen bestaan: vóór 10-43
seconde na de oerknal, toen het heelal een doorsnee van 10-33
cm had, wordt, zo zegt men, het onderscheid tussen tijd en ruimte verdoezeld
als gevolg van quantumfluctuaties, met als resultaat dat zich nooit
een oneindig klein punt kan vormen en het ontstaan van het heelal niet
op een nauwkeurig tijdstip plaatsvindt maar wordt ‘uitgesmeerd’.
De oerknaltheorie – het standaard-scheppingsverhaal van de moderne
wetenschap – berust in hoofdzaak op drie waarnemingen. Ten eerste
heeft men in de eerste decennia van de eeuw ontdekt dat het licht van
ververwijderde melkwegstelsels een ‘roodverschuiving’ vertoont,
d.w.z. een verschuiving naar de kant van het rood of het langegolf-einde
van het spectrum. Dit werd uitgelegd als een teken dat de melkwegstelsels
zich met grote snelheid van elkaar verwijderen en dat het heelal uitdijt;
hieruit concludeerde men dat het heelal zijn oorsprong had in een enorme
explosie. Ten tweede werd in 1964 ontdekt dat het heelal wordt omspoeld
door een uniforme microgolfstraling van even onder 3 graden kelvin.
Een microgolfachtergrond van hoogstens 30 graden kelvin, als overblijfsel
van de oerknal, had men al eerder voorspeld. Ten derde meent men met
de oerknaltheorie de betrekkelijke hoeveelheden waterstof, helium en
andere lichte elementen in het heelal te kunnen verklaren. In een toelichting
op het bewijs van de oerknal schrijft de New Scientist: ‘Nog
nooit is zo’n machtig bouwwerk op zulke onsolide fundamenten opgetrokken’.2
Wat de roodverschuiving betreft is het ongetwijfeld juist dat de spectraallijnen
in het licht van sterren in ons melkwegstelsel een roodverschuiving
vertonen als de sterren zich van ons verwijderen en een blauwverschuiving
als ze zich naar ons toe bewegen, wat het gevolg is van respectievelijk
het uitrekken en het inkrimpen van de lichtgolven. Aangezien het licht
van alle melkwegstelsels op enkele naburige na, een roodverschuiving
te zien geeft, zou dit kunnen betekenen dat het heelal zich uitzet.
Men zegt dat het oerknalheelal sedert zijn schepping steeds is blijven
uitdijen, van 300.000 km in doorsnee na één seconde tot
tientallen miljarden lichtjaren in doorsnee nu. De roodverschuiving
van het licht van verre melkwegstelsels neemt toe met de afstand en
dat betekent, zo legt men het uit, dat melkwegstelsels zich van elkaar
af bewegen met een snelheid die tevens toeneemt met de afstand, en dat
de snelheid van de verste melkwegstelsels steeds dichter de lichtsnelheid
nadert. In werkelijkheid gelooft men niet dat melkwegstelsels zich door
de ruimte van elkaar verwijderen, maar dat de ruimte zelf zou uitdijen,
zodat de open ruimten tussen de melkwegstelsels worden uitgerekt als
een stuk rubber. Kosmologen citeren vaak de analogie van een ballon
met gelijkmatig over zijn oppervlak verspreide stippen; naarmate de
ballon opzwelt, ‘bewegen’ de stippen zich verder uit elkaar.
De stippen stellen clusters melkwegstelsels voor en de ballon de ruimte-tijd
structuur.
Er zijn evenwel andere uitleggingen van de roodverschuiving mogelijk,
waarvan de voornaamste de hypothese van het ‘vermoeide licht’
is, die zegt dat de roodverschuiving wordt teweeggebracht doordat het
licht op zijn reis door de ruimte energie verliest. Er bestaan twee
versies van deze theorie. De eerste zegt dat lichtdeeltjes energie verliezen
wanneer ze in botsing komen met stofdeeltjes in het intergalactische
medium. Om echter het totaal van de waargenomen roodverschuivingen te
verklaren, zou het intergalactische medium 100.000 maal dichter moeten
zijn dan men plaatselijk heeft waargenomen. De tweede mogelijkheid is
dat het licht energie verliest als het zich door de ether beweegt, een
subtiel medium dat de hele ruimte doordringt en het substraat vormt
van alle fysieke materie (het intergalactische medium van fysiek gas
en stof inbegrepen). Het bestaan van de ether is door de eeuwen heen
door mystieke filosofen verdedigd; het komt overeen met wat de meeste
fysici van tegenwoordig bij voorkeur het ‘quantumveld’ of
‘quantumvacuüm’ noemen, hoewel sommigen van hen toch
weer de term ‘ether’ gaan gebruiken. Deze verklaring van
de roodverschuiving is aan de hand gedaan door G. de Purucker en op
jongere datum door Jean-Paul Vigier, een vooraanstaand Frans fysicus.3
Momenteel is er geen afdoend bewijs dat een uitdijend heelal de juiste
verklaring is. Zoals één oerknalkosmoloog opmerkt, ‘de
onplezierige gedachte blijft hangen: zouden we het helemaal bij het
verkeerde eind kunnen hebben?’4
Volgens het oerknalmodel duidt de uniforme microgolfachtergrondstraling
erop dat de stof in het jonge heelal uiterst gelijkmatig was verspreid.
Er is lange tijd geen bewijs geweest van mogelijke fluctuaties of ‘klontvorming’
van waaruit melkwegstelsels zich zouden hebben kunnen verdichten. In
april l992 werd echter bekendgemaakt dat de Cosmic Background Explorer
(COBE) satelliet van NASA minuscule inhomogeniteiten of ‘rimpelingen’
in de achtergrondstraling had ontdekt. Hoewel sommige wetenschappers
deze resultaten begroetten als de ontdekking van de Heilige Graal, namen
anderen een nuchterder standpunt in, omdat de fluctuaties veel te groot
in omvang zijn om de voorouders te zijn van melkwegstelsels en clusters
die nu worden waargenomen, en de fluctuaties zijn slechts ca. één
30 miljoenste van een kelvin – veel te nietig om op te treden
als het zaad waaruit zich structuren vormen. Terwijl dus de ontdekkingen
van COBE bij oerknaltheoretici een gunstig onthaal vonden, ‘verwezen
ze tegelijkertijd de meeste specifieke modellen van kosmologen voor
de vorming van het heelal naar de prullemand’.5
Behalve de microgolfachtergrond is er een uniforme achtergrond van
radiogolven, röntgenstralen, gammastralen en kosmische stralen,
die geen van alle worden verklaard in termen van de oerknal. Men denkt
dat de hoofdbron van bijvoorbeeld de kosmische stralingsachtergrond
supernova-explosies zijn, terwijl de diffuse röntgenstraling mogelijk
door intergalactisch gas of door een zeer groot aantal extragalactische
röntgenbronnen wordt uitgezonden. Verscheidene wetenschappers hebben
geopperd dat de microgolfachtergrond ook een andere oorsprong dan de
oerknal kan hebben. Als al het waargenomen helium in sterren zou worden
geproduceerd, zou de vrijgekomen energie precies de juiste hoeveelheid
zijn om de microgolfachtergrond voort te brengen. Om de grote variaties
glad te strijken en alleen de door COBE waargenomen zeer kleine fluctuaties
over te laten, zou de straling moeten zijn verspreid door een proces
van absorptie en re-emissie. Chandra Wickramasinghe en Fred Hoyle hebben
te kennen gegeven dat dit gedaan zou kunnen zijn door uiterst kleine
draadvormige ijzerkristallen in de intergalactische ruimte.6
De plasmafysici Eric J. Lerner en Tony Peratt denken dat dit ook zou
kunnen plaatsvinden door energierijke elektronen, die in spiraalvormige
banen om de veldlijnen van magnetische velden in de intergalactische
ruimte bewegen. Aan het bestaan van een dergelijke ‘radio-nevel’
tussen de sterrenstelsels wordt kracht bijgezet door andere waarnemingen.
Als die inderdaad bestaat, zou dit het ontstaan van de microgolfachtergrond
uit een oerknal uitsluiten, omdat daardoor vervormingen teweeg zouden
worden gebracht in het zwartlichaam-spectrum van een microgolfachtergrond
die uit een oerknal voortkwam, maar zulke vervormingen zijn niet waargenomen.7
Men neemt aan dat het merendeel van de chemische elementen in het heelal
is voortgebracht door nucleaire reacties in sterren, maar deze verklaring
gaat niet op voor enkele van de lichtste elementen. Deze zouden kunnen
zijn voortgebracht in een oerknal, en de oerknaltheorie voorspelt wat
hun hoeveelheid zou moeten zijn. Recente waarnemingen hebben evenwel
aangetoond dat er minder helium en veel minder deuterium en lithium
in het heelal is dan de theorie voorspelt.8
De voornaamste uitdaging waarvoor de bestrijders van de oerknal zich
geplaatst zien, is een verklaring te geven voor de aanwezigheid van
24% helium, die onmogelijk door bestaande sterren alleen kan zijn geproduceerd
– zeker niet in de tijd die de oerknaltheorie daarvoor aangeeft.
Het zou evenwel kunnen worden verklaard indien, zoals sommige astronomen
geloven, de vorming van een generatie van massieve kortlevende sterren
plaatsvond in de eerste vormingsstadia van een melkwegstelsel, die vervolgens
als supernova’s explodeerden, waardoor het helium door de hele
ruimte werd verspreid.9
Oerknaltheorieën bevatten kennelijk veel hoogst speculatieve en
tamelijk exotische denkbeelden, waarvan vele absoluut niet voor toetsing
vatbaar zijn. Maar het feit dat een bepaald scenario theoretisch mogelijk
is en dat ingewikkelde wiskundige stellingen kunnen worden ontworpen
om het te onderbouwen, hoeft niet te betekenen dat het ooit is gebeurd,
zelfs al is het verenigbaar met kenmerken van het heelal die we nu waarnemen.
G. de Purucker wijst erop dat, al is de wiskunde een zeer waardevol
instrument van het menselijk denken, zijzelf geen waarheid kan fabriceren,
want ‘de wiskundige molen brengt alleen voort wat erin wordt gestopt’;
de resultaten hangen af van de veronderstellingen, maar deze kunnen
onjuist zijn. Hij zegt ook:
wetenschappelijke theorieën en speculaties worden
in bepaalde opzichten zo metafysisch, dat ze op zekere punten niet
alleen beginnen samen te vallen met de leringen van de esoterische
filosofie, maar in enkele gevallen deze leringen werkelijk voorbijschieten
en een andere koers inslaan.10
De Purucker verwierp de theorie die werd opgesteld door de Belgische
priester en kosmoloog, Georges Lemaître – de vader van de
oerknal – die betoogde dat het waarneembare heelal tot zijn huidige
omvang is uitgedijd uit een ‘oeratoom’, en opperde in plaats
daarvan dat de roodverschuiving kan worden veroorzaakt door licht dat
een vorm van vertraging ondergaat als het door de ether van de ruimte
trekt voordat het de aarde bereikt. Hij schreef:
Het occultisme bevestigt dat er in alle dingen, de
grote zowel als de kleine, of het een heelal, een zon, een mens, of
een ander wezen is, een voortdurende, eeuwige, cyclische diastole
en systole plaatsvindt, overeenkomstig die van het menselijk hart.
[Deze kosmische hartslag] lijkt in het geheel niet op het uitdijend
heelal. Het geraamte of lichaam van het heelal, of we met dit woord
het melkwegstelsel of een verzameling melkwegstelsels bedoelen, is
tijdens de periode van zijn manvantara [actieve levensperiode] stabiel,
zowel wat de relatieve structuur als de vorm betreft – net als
het menselijk hart, wanneer dit eenmaal zijn volle wasdom en werking
heeft bereikt.11
Dus zelfs al zou men kunnen aantonen dat alle melkwegstelsels zich
momenteel van elkaar af bewegen, dan hoeft dat niet te betekenen dat
we, door eenvoudig terug in de tijd te extrapoleren, daaruit kunnen
concluderen dat in het verre verleden alle materie van het heelal geconcentreerd
was in een enkel microscopisch punt.
De oerknalhypothese is kennelijk nog niet bewezen en daarom is het
van belang dat alle alternatieven onbevooroordeeld worden besproken.
Helaas schijnt de oerknal voor een groot aantal wetenschappers een geloofsartikel
te zijn geworden; in 1951 kreeg ze zelfs de zegen van Paus Pius XII!
Geoffrey Burbidge wijst erop dat astronomische leerboeken de kosmologie
niet langer behandelen als een open onderwerp en dat kosmologen vaak
onverdraagzaam zijn als het om opvattingen gaat die afwijken van het
oerknalgeloof. Onderzoekers die de heersende orthodoxie in twijfel trekken,
ondervinden dat het gewoonlijk moeilijker is om financiële steun
te verkrijgen, van uitrustingen gebruik te maken en hun artikelen gepubliceerd
te krijgen. Enkele jaren geleden werd Halton Arp telescooptijd geweigerd
aan de sterrenwachten van Mount Wilson en Palomar, omdat zijn observatieprogramma
bewijzen had gevonden die in strijd waren met het standaard-oerknalmodel.12
Een alternatief model dat eens evenveel waardering genoot als de oerknal
is de ‘steady state’ theorie, die in l948 voor het eerst
werd voorgesteld door Hermann Bondi, Thomas Gold en Fred Hoyle. Ook
dit model gaat ervan uit dat het heelal uitdijt, maar stelt dat het
in ruimte en tijd geen begin of einde heeft. Het heelal handhaaft een
constante gemiddelde dichtheid, omdat materie en energie voortdurend
worden gecreëerd om nieuwe sterren en melkwegstelsels te vormen
in hetzelfde tempo waarin de oude niet langer waarneembaar worden als
gevolg van hun toenemende afstand. Toen men de kosmische microgolf-achtergrondstraling
ontdekte, werd die algauw begroet als de vage nagloeiing van de oerknal,
en trok het ‘steady state’ model niet langer veel aandacht.
De kosmologen Fred Hoyle, Geoffrey Burbidge en Jayant Narlikar hebben
onlangs een gedetailleerd ‘quasi-steady state’ model van
het heelal ontwikkeld. Evenals in het oorspronkelijke model stellen
ze dat het heelal altijd heeft bestaan, maar ze hebben het denkbeeld
van de onafgebroken schepping van materie laten varen, in plaats waarvan
ze opperen dat er zich 10 à 15 miljard jaar geleden een reeks
van grote scheppings-gebeurtenissen of kleine oerknallen heeft voorgedaan,
waardoor ons deel van het heelal ging uitdijen. Sindsdien bleven zich
kleinere scheppings-gebeurtenissen voordoen, die energetische objecten
voortbrachten, zoals quasars en radiosterrenstelsels. In de toekomst
zal echter de uitdijing van ons deel van het heelal afnemen, wat de
vorming van nieuwe scheppingscentra en opnieuw een episode van grote
scheppingsgebeurtenissen mogelijk maakt. Hoyle en zijn collega’s
zeggen dat het nieuwe model ‘niet bedoeld is om een kant en klaar
beeld van de kosmologie te geven, [maar] om de deur te openen naar nieuwe
opvattingen, die tegenwoordig worden geblokkeerd doordat men zich blindstaart
op de oerknalkosmologie’.13
Er is een overvloed van bewijzen voor de doorgaande vorming van astronomische
structuren. Ook nu nog worden er sterren geboren, zoals in de Orionnevel
in ons eigen melkwegstelsel. De standaard-oerknaltheorie voorspelt dat
alle melkwegstelsels zich in een betrekkelijk korte periode hebben gevormd
en dat ze alle tussen de 10 en 15 miljard jaar oud moeten zijn. Maar
onderzoekingen door de Infrarood Astronomische Satelliet (IRAS) geven
verscheidene gevallen te zien van melkwegstelsels, die ‘jong’
zijn ten opzichte van sterren die daarbinnen zijn aangetroffen. Astronomen
hebben ook buitengewoon oude melkwegstelsels ontdekt die blijkbaar zijn
gevormd lang voordat het oerknalheelal voldoende kon zijn afgekoeld.
De tijdschaal voor de vorming van melkwegstelsels is blijkbaar ingewikkelder
dan men aanvankelijk dacht.
In 1986 heeft men ontdekt dat er behalve clusters en superclusters
van melkwegstelsels ook supercluster-complexen zijn – reusachtige
galactische ketens die een ruimte van meer dan een miljard lichtjaar
beslaan en van elkaar gescheiden zijn door enorm grote leegten. Omdat
geen enkele versie van de oerknal het bestaan van zulke gigantische
structuren heeft voorspeld, bezagen kosmologen de nieuwe ontdekking
met ongerustheid. Door de snelheden te meten waarmee melkwegstelsels
zich nu bewegen en de afstand die ze zouden hebben afgelegd om dergelijke
structuren te vormen, heeft men geschat dat er minstens 100 miljard
jaar nodig zou zijn geweest om deze complexen te bouwen – 5 tot
12 maal de leeftijd die aan het heelal door de oerknaltheorie wordt
toegeschreven. Het is mogelijk dat de materie zich in het verleden veel
sneller voortbewoog en later vaart minderde, maar deze vertraging zou
vervormingen van verscheidene percenten hebben teweeggebracht in het
zwartlichaam-spectrum van de microgolfachtergrond en men heeft geen
vervormingen van die aard waargenomen.14
Verwijzingen
- P. Davies & J. Gribbin, The Matter Myth,
Simon & Schuster/Touchstone, 1992, blz. 162-73.
- New Scientist, 21/28 december 1991, blz.
3.
- De Esoterische Traditie, Theosophical University
Press, 2001, blz. 224-6; E.J. Lerner, The Big Bang Never Happened,
Vintage Books, 1992, blz. 429.
- J. Silk, The Big Bang, W.H. Freeman and Company,
1989, blz. 396.
- Scientific American, juli 1992, blz. 9.
- New Scientist, 2 maart 1991, blz. 51.
- The Big Bang Never Happened, blz. 50-1,
268-78.
- Ibid., blz. xviii-xx.
- Ibid., blz. 266-7.
- Bron van het Occultisme, Theosophical University
Press Agency, Den Haag, 1990, blz. 89.
- Ibid., blz. 90.
- Scientific American, februari 1992, blz.
96.
- New Scientist, 27 februari 1993, blz. 14.
- The Big Bang Never Happened, blz. 31.