STANZA 2

Toelichting

      1. . . . WAAR WAREN DE BOUWERS, DE LICHTENDE ZONEN VAN DE DAGERAAD VAN HET MANVANTARA? (a) . . . IN DE ONBEKENDE DUISTERNIS IN HUN AH-HI (Chohanisch, Dhyani-Boeddhisch) PARANISHPANNA. DE VOORTBRENGERS VAN VORM (rupa) UIT NIET-VORM (arupa) – DE WORTEL VAN DE WERELD – DE DEVAMATRI1 EN SVABHAVAT, RUSTTEN IN DE GELUKZALIGHEID VAN HET NIET-ZIJN (b).

      (a) De ‘bouwers’, de ‘zonen van de dageraad van het manvantara’, zijn de werkelijke scheppers van het Heelal; en in deze leer, die alleen betrekking heeft op ons planetenstelsel, worden ze, omdat ze de architecten van dit laatste zijn, ook de ‘wachters’ van de zeven sferen genoemd. Exoterisch zijn deze de zeven planeten en esoterisch ook de zeven werelden (planeten) van onze keten. Wanneer in de eerste zin van Stanza I over ‘zeven eeuwigheden’ wordt gesproken, slaat dit zowel op de maha-kalpa of ‘de (grote) eeuw van Brahma’ als op het zonne-pralaya en de daaropvolgende herleving van ons planetenstelsel op een hoger gebied. Zoals elders zal worden aangetoond, zijn er veel soorten pralaya (het uiteenvallen van iets zichtbaars).

      (b) Men moet bedenken dat paranishpanna het summum bonum is, het Absolute en dus hetzelfde als paranirvana. Het is behalve de eindtoestand tevens die toestand van subjectiviteit die met niets anders verband houdt dan de ene absolute waarheid (paramarthasatya) op haar eigen gebied. Door die toestand verkrijgt men een juiste waardering van de volledige betekenis van Niet-zijn dat, zoals werd verklaard, het absolute Zijn is. Vroeg of laat zal alles wat nu schijnbaar bestaat, in werkelijkheid en in feite in de toestand van paranishpanna zijn. Maar er is een groot verschil tussen bewust en onbewust ‘zijn’. De toestand van paranishpanna zonder paramartha, het zichzelf analyserende bewustzijn (svasamvedana), is geen gelukzaligheid maar eenvoudig uitdoving (zeven eeuwigheden lang). Zo zal een ijzeren bal die aan de verzengende stralen van de zon wordt blootgesteld, door en door worden verhit, maar de warmte niet voelen of waarnemen, terwijl dit wel bij een mens het geval is. Om zich te bevrijden van het persoonlijke bestaan, op te gaan in en één te worden met het Absolute2 en in het volle bezit van paramartha te blijven, moet men beschikken over ‘een helder en door de persoonlijkheid niet verduisterd verstand’ en moet men ‘de verdiensten van verscheidene levens, gewijd aan het Zijn als geheel (het hele levende en bezielde Heelal) in zich hebben opgenomen’.


STANZA 2. Vervolg

      2. . . . WAAR WAS DE STILTE? WAAR WAREN DE OREN OM DEZE GEWAAR TE WORDEN? NEEN, ER WAS NOCH STILTE NOCH GELUID (a); NIETS BEHALVE DE ONOPHOUDELIJKE EEUWIGE ADEM (beweging), DIE ZICHZELF NIET KENT (b).

      (a) De opvatting dat dingen kunnen ophouden te bestaan en toch nog ZIJN, is een grondgedachte in de oosterse psychologie. Onder deze schijnbare tegenspraak schuilt een natuurfeit, en om dit met ons verstand te beseffen is belangrijker dan over woorden te twisten. Een bekend voorbeeld van een dergelijke paradox leveren chemische verbindingen op. De vraag of waterstof en zuurstof ophouden te bestaan als ze zich tot water verbinden, staat nog open. Sommigen voeren aan dat ze er al die tijd moeten zijn, omdat men ze terugvindt als het water wordt ontleed, terwijl anderen beweren dat ze gedurende die tijd moeten ophouden op zichzelf te bestaan, omdat ze feitelijk in iets totaal anders veranderen. Geen van beide partijen is echter in staat zich ook maar het flauwste begrip te vormen over de werkelijke toestand van iets, dat iets anders is geworden en toch niet heeft opgehouden zichzelf te zijn. Voor zuurstof en waterstof kan men het bestaan als water een toestand van Niet-zijn noemen, die een ‘werkelijker zijn’ vormt dan hun bestaan als gassen. Dit kan vaag de toestand van het Heelal symboliseren, als het gaat slapen of ophoudt te bestaan tijdens de ‘nachten van Brahma’ – om te ontwaken of weer te verschijnen, als de dageraad van het nieuwe manvantara het terugroept tot wat wij bestaan noemen.

      (b) De term ‘adem’ van het ene Bestaan wordt door de archaïsche esoterie alleen toegepast op het geestelijke aspect van de kosmogonie; in andere gevallen wordt deze vervangen door de overeenkomstige term op het stoffelijke gebied: beweging. Het ene eeuwige Element, of elementbevattende voertuig, is Ruimte, in elke betekenis zonder dimensie; tegelijk daarmee bestaan eindeloze duur, oer- (en dus onvernietigbare) stof, en beweging – absolute ‘eeuwigdurende beweging’: de ‘adem’ van het ‘ene’ Element. Zoals wij hebben gezien, kan deze adem nooit ophouden, zelfs niet tijdens de eeuwigheden van pralaya (zieChaos, Theos, Kosmos’ in Afdeling II).
      De term ‘adem van het ene Bestaan’ heeft echter geen betrekking op de ene oorzaakloze Oorzaak of het ‘Al-Zijn’ (tegenover het Al-Zijnde, dat Brahma of het Heelal is). Brahma (of Hari), de god met vier gezichten, ‘bracht de schepping tot stand’ nadat hij de Aarde uit de wateren had opgeheven. Er wordt verondersteld dat hij alleen de uitvoerende en niet – zoals duidelijk is in te zien – de ideële Oorzaak is. Tot dusver schijnt geen enkele oriëntalist de werkelijke betekenis van de verzen in de Purana’s die over de ‘schepping’ gaan, volkomen te hebben begrepen.
      Daarin is Brahma de oorzaak van de krachten die vervolgens voor het ‘scheppingswerk’ moeten worden voortgebracht. Een vertaler zegt: ‘En uit hem komen de krachten voort die moeten worden geschapen, nadat zij de werkelijke oorzaak waren geworden.’ Zou het echter niet juister zijn te zeggen: ‘en uit HET komen de krachten voort die zullen scheppen, wanneer zij de werkelijke oorzaak worden’ (op stoffelijk gebied)? Behalve aan die ene (oorzaakloze) ideële oorzaak kan het heelal niet aan een andere oorzaak worden toegeschreven. ‘Waardigste van alle asceten! Door haar kracht – dat is, door de kracht van die oorzaak – verkrijgt alles wat is geschapen zijn inherente of eigen aard.’ Terwijl in de Vedanta en Nyaya, nimitta de werkelijke oorzaak is, in tegenstelling tot upadána, de stoffelijke oorzaak (in het Sankhya-stelsel omvat pradhána de functies van beide), kan in de esoterische filosofie, die al deze stelsels verzoent – en waarvan de Vedanta in de versie van de Advaita Vedanta nog de meest verwante uiteenzetting geeft – alleen over de upadána worden gespeculeerd. Wat volgens de vaishnava’s (de Vasishta-dvaita) het ideële is in tegenstelling tot het werkelijke – of Parabrahm en Isvara – kan in openbaar uitgegeven beschouwingen niet worden opgenomen, omdat zelfs dat ideële een foutieve benaming is wanneer het wordt toegepast op iets waarvan geen menselijk verstand, zelfs niet dat van een adept, zich een begrip kan vormen.
      Om zichzelf te kennen is bewustzijn en waarneming nodig (beide zijn beperkte vermogens die betrekking kunnen hebben op ieder onderwerp, behalve op Parabrahm). Vandaar de ‘eeuwige adem die zichzelf niet kent’. Het oneindige kan het eindige niet begrijpen. Het grenzeloze kan niet in betrekking staan tot het begrensde en het voorwaardelijke. Volgens de occulte leer is de onbekende en onkenbare BEWEGER, of het zelf-bestaande, de absolute goddelijke Essentie. En omdat dit absoluut Bewustzijn en absolute Beweging is – voor het beperkte gevoel van degenen die dit onbeschrijflijke beschrijven – is het onbewustheid en onbeweeglijkheid. Concreet bewustzijn kan niet als eigenschap worden toegeschreven aan abstract Bewustzijn, evenmin als de eigenschap ‘nat’ aan water – want natheid is het wezenlijke van water en de oorzaak van het nat zijn van andere dingen. Bewustzijn houdt beperkingen en kwalificaties in; iets om zich van bewust te zijn en iemand die zich ervan bewust is. Maar absoluut Bewustzijn sluit de kenner, het gekende en de kennis alle drie in zich, en alle drie zijn één. Niemand is zich van meer bewust dan dat deel van zijn kennis dat hij op een bepaald tijdstip in zijn herinnering heeft teruggeroepen, maar de taal is zó arm, dat we geen woord hebben om de kennis waaraan we in feite niet denken, te onderscheiden van kennis die we niet in ons geheugen kunnen terugroepen. Vergeten is synoniem met zich niet herinneren. Hoeveel groter moet dan de moeilijkheid zijn om termen te vinden om abstracte metafysische feiten of verschillen te beschrijven en te onderscheiden. Men moet ook niet vergeten dat wij aan de dingen namen geven in overeenstemming met de uiterlijke vorm die zij voor ons aannemen. Wij noemen absoluut bewustzijn ‘onbewustheid’, omdat het ons toeschijnt dat dit noodzakelijk zo moet zijn. Zo noemen wij het Absolute ook ‘duisternis’, omdat het voor ons eindige begrip volkomen ondoordringbaar schijnt; toch erkennen wij ronduit dat onze waarneming van dergelijke dingen deze geen recht doet. Onwillekeurig maken wij in onze gedachten onderscheid tussen bijvoorbeeld onbewust absoluut bewustzijn en onbewustheid, door stilzwijgend aan het eerste een onbepaalde eigenschap toe te kennen, die – op een hoger gebied dan waartoe onze gedachten kunnen reiken – overeenkomt met wat wij in onszelf als bewustzijn kennen. Maar dat is geen soort bewustzijn dat wij kunnen onderscheiden van wat ons als onbewustheid voorkomt.


STANZA 2. Vervolg

      3. HET UUR HAD NOG NIET GESLAGEN; DE STRAAL WAS NOG NIET IN DE KIEM GESCHOTEN (a); DE MATRIPADMA (moederlotus) WAS NOG NIET GEZWOLLEN (b)3.

      (a) De straal van de ‘eeuwige duisternis’ wordt, zodra hij is uitgezonden, een straal van schitterend licht of leven, en schiet in de ‘kiem’ – het punt in het wereld-ei, dat wordt voorgesteld door stof in haar abstracte betekenis. Maar de uitdrukking ‘punt’ moet niet zo worden opgevat, dat zij betrekking heeft op een bepaald punt in de Ruimte, want er bestaat een kiem in het centrum van ieder atoom en deze vormen samen ‘de Kiem’; of liever – omdat geen enkel atoom voor ons stoffelijke oog zichtbaar kan worden gemaakt – de verzameling daarvan (als die term kan worden gebruikt voor iets dat grenzeloos en oneindig is) vormt het noumenon van eeuwige en onvernietigbare stof.

      (b) Een van de symbolen voor de tweevoudige scheppingskracht in de Natuur (stof en kracht op het stoffelijke gebied) is padma, de waterlelie van India. De lotus is het product van warmte (vuur) en water (damp of ether); immers in ieder filosofisch en religieus stelsel vertegenwoordigt vuur de geest van de godheid4, het werkzame, mannelijke, voortbrengende beginsel; en ether, of de ziel van de stof, het licht van het vuur, vertegenwoordigt het passieve vrouwelijke beginsel, waaruit alles in dit Heelal te voorschijn kwam. Vandaar dat ether of water de moeder is, en vuur de vader. Sir W. Jones (en vóór hem de archaïsche plantkunde) toonde aan dat de zaden van de lotus – zelfs vóór zij ontkiemen – volmaakt gevormde bladeren bevatten, de miniatuurvorm van wat zij eens als volgroeide planten zullen worden: zo geeft de natuur ons een voorbeeld van het vooraf vorm geven aan haar voortbrengselen . . . de zaden van alle fanerogamen, die echte bloemen dragen, bevatten een volledig gevormd embryoplantje5. (Zie Afd. II, ‘De lotusbloem als universeel symbool’.) Dit verklaart de zin ‘De moeder was nog niet gezwollen’; in de archaïsche symboliek wordt de vorm gewoonlijk opgeofferd aan de innerlijke of grondgedachte.
       De lotus of padma vormt bovendien een heel oud en geliefd beeld voor de Kosmos zelf, en ook voor de mens. De hiervoor vaak aangevoerde redenen zijn in de eerste plaats het zojuist vermelde feit dat het lotuszaad een volmaakte miniatuur van de toekomstige plant in zich bevat, en dit typeert het feit dat de geestelijke oervormen van alle dingen in de onstoffelijke wereld bestaan voordat deze dingen zich op aarde materialiseren. In de tweede plaats het feit dat de lotusplant door het water heen omhooggroeit, met haar wortel in de Ilus of modder en haar bloem die zich in de lucht daarboven opent. De lotus stelt zo het leven van de mens en ook dat van de Kosmos voor; want de Geheime Leer zegt dat de elementen van beide dezelfde zijn en dat beide zich in dezelfde richting ontwikkelen. De in de modder verzonken wortel van de lotus stelt het stoffelijke leven voor, de stengel die door het water oprijst, het bestaan in de astrale wereld, en de bloem die op het water drijft en zich naar de hemel opent, is het zinnebeeld van het geestelijke bestaan.


STANZA 2. Vervolg

      4. HAAR HART HAD ZICH NOG NIET GEOPEND ZODAT DE ENE STRAAL KON BINNENGAAN OM VANDAAR, ALS DRIE IN VIER, IN DE SCHOOT VAN MAYA TE VALLEN (a).

       (a) De oorspronkelijke substantie was nog niet uit haar vóórkosmische slapende toestand overgegaan tot gedifferentieerde objectiviteit of zelfs de (voor de mens tot dan toe) onzichtbare protyle6 van de wetenschap geworden. Maar wanneer het uur slaat en zij ontvankelijk wordt voor de inwerking door middel van fohat, van de goddelijke gedachte (de logos of het mannelijke aspect van de anima mundi, alaya) – opent haar hart zich. Zij differentieert zich en de drie (vader, moeder, zoon) worden veranderd in vier. Hierin ligt de oorsprong van het dubbele mysterie van de drie-eenheid en de onbevlekte ontvangenis. Het eerste en fundamentele leerstuk van het occultisme is de Universele Eenheid (of homogeniteit) onder drie aspecten. Dit leidde tot een mogelijke opvatting over de godheid, die als een absolute eenheid altijd onbegrijpelijk moet blijven voor het eindige verstand. ‘Indien u zou geloven in de kracht die in de wortel van een plant werkt, of u de onder de grond verborgen wortel zou voorstellen, dan moet u denken aan haar stengel of stam en aan haar bladeren en bloemen. U kunt u die kracht niet onafhankelijk van deze dingen voorstellen. Het leven kan alleen worden gekend door middel van de levensboom. . . .’ (Voorschriften voor yoga.) Het denkbeeld van absolute Eenheid zou in onze opvatting geheel verloren gaan, als wij niet iets concreets voor ogen hadden om die Eenheid te bevatten. En omdat de godheid absoluut is, moet zij alomtegenwoordig zijn, en er is dus geen atoom dat haar niet in zich bevat. De wortels, de stam en de vele takken zijn drie afzonderlijke dingen en toch vormen zij één boom. De kabbalisten zeggen: ‘De godheid is één, omdat zij oneindig is. Zij is drievoudig, omdat zij zich eeuwig manifesteert.’ Dit manifesteren is drievoudig in haar aspecten, want volgens Aristoteles heeft ieder natuurlijk lichaam drie beginselen nodig om objectief te worden: 1° het nog ontbreken van eigenschappen, 2° vorm, en 3° stof7. ‘Het nog ontbreken van eigenschappen’ betekende voor de grote filosoof wat de occultisten de oervormen noemen, die zijn afgedrukt in het astrale licht – het laagste gebied en de laagste wereld van de anima mundi. De vereniging van deze drie beginselen hangt af van een vierde – het LEVEN, dat uitstraalt van de toppen van het Onbereikbare, om een algemeen verspreide essentie te worden op de gemanifesteerde bestaansgebieden. En dit VIERVOUD (vader, moeder, zoon, als een EENHEID, en als levende manifestatie een viervoud) heeft geleid tot het heel archaïsche denkbeeld van de onbevlekte ontvangenis, dat zich nu tenslotte heeft gekristalliseerd tot een dogma van de christelijke kerk, die in strijd met ieder gezond verstand deze metafysische gedachte in vleselijke zin heeft opgevat. Want men hoeft alleen maar de Kabbala te lezen en haar numerieke verklaringsmethoden te bestuderen om de oorsprong van dat dogma te vinden. Dit is zuiver astronomisch, wiskundig en bij uitstek metafysisch: het mannelijke element in de Natuur (als persoon voorgesteld door de mannelijke godheden en logoi – Viraj of Brahma; Horus of Osiris, enz.) wordt geboren door middel van, niet uit, een onbevlekte bron. Deze wordt als persoon voorgesteld door de ‘moeder’, omdat dit mannelijke, dat wel een moeder heeft, geen ‘vader’ kan hebben – de abstracte godheid is immers geslachtloos, en zelfs geen Wezen maar het Zijn of het Leven zelf. Laten wij dit weergeven in de wiskundige taal van de schrijver van The Source of Measures. Hij spreekt over de ‘maat van een mens’ en zijn getals- (kabbalistische) waarde en schrijft dat deze in Genesis, Hoofdst.8 IV, v. l, ‘wordt genoemd de ‘mens-gelijk-Jehova’-maat, en deze wordt zó verkregen: 113 x 5 = 565 en de waarde 565 kan worden uitgedrukt in de vorm 56,5 x 10 = 565. Hier wordt het mens-getal 113 een factor van 56,5 x 10 en de (kabbalistische) interpretatie van deze laatste getalsuitdrukking is jod, he, vau, he, of Jehovah. . . . Het uitschrijven van 565 als 56,5 x 10 is bedoeld om aan te tonen dat het mannelijke (jod) beginsel uit het vrouwelijke (eva) voortkomt, of, om zo te zeggen, dat de geboorte van een mannelijk element uit een onbevlekte bron plaatsvindt, met andere woorden een onbevlekte ontvangenis.’
       Zo wordt op aarde het mysterie herhaald, dat zich volgens de zieners op het goddelijke gebied heeft afgespeeld. De ‘zoon’ van de onbevlekte hemelse maagd (of de ongedifferentieerde kosmische protyle9, de stof in haar oneindigheid) wordt op aarde herboren als de zoon van de aardse Eva, onze moeder Aarde, en wordt de mensheid als geheel – van het verleden, het heden en de toekomst – want Jehovah of jod-he-vau-he is androgyn, of zowel mannelijk als vrouwelijk. Boven is de zoon de hele Kosmos, beneden is hij de MENSHEID. De triade of driehoek wordt de Tetraktis, het heilige getal van Pythagoras, het volmaakte vierkant, en een zeszijdige kubus op aarde. De macroprosopus (het grote gezicht) is nu de microprosopus (het kleine gezicht) of, zoals de kabbalisten zeggen, de ‘oude van dagen’, die neerdaalt op Adam Kadmon die hij als zijn voertuig gebruikt om zich daardoor te manifesteren, wordt veranderd in een tetragrammaton. Deze is nu in de ‘schoot van maya’, de grote illusie, en heeft tussen zichzelf en de werkelijkheid het astrale licht, de grote misleider van de beperkte zintuigen van de mens, tenzij kennis door middel van paramarthasatya hem te hulp komt.


STANZA 2. Vervolg

      5. DE ZEVEN (zonen) WAREN NOG NIET GEBOREN UIT HET WEEFSEL VAN LICHT. DUISTERNIS ALLEEN WAS VADER-MOEDER, SVABHAVAT; EN SVABHAVAT WAS IN DUISTERNIS (a).

       (a) In de hier gegeven stanza’s houdt de Geheime Leer zich hoofdzakelijk, zo niet geheel, bezig met ons zonnestelsel en in het bijzonder met onze planeetketen. De ‘zeven zonen’ zijn daarom de scheppers van laatstgenoemde. Deze lering zal hierna uitvoeriger worden verklaard. (Zie Afd. II, ‘De theogonie van de scheppende goden’.)
       Svabhavat, de ‘plastische essentie’ die het Heelal vult, is de wortel van alle dingen. Svabhavat is om zo te zeggen het boeddhistische concrete aspect van de abstractie die in de hindoefilosofie Mulaprakriti wordt genoemd. Het is het lichaam van de ziel en wat ether voor akasa zou zijn, en dit laatste is het bezielende beginsel van het eerstgenoemde. Chinese mystici hebben het tot een synoniem van ‘zijn’ gemaakt. In het Ekasloka-Shastra van Nagarjuna (de Lung-shu van China), dat door de Chinezen Yih-shu-lu-kia-lun wordt genoemd, wordt gezegd dat het oorspronkelijke woord yeu ‘zijn’ of ‘subhava’ betekent, ‘de substantie die zichzelf substantie geeft’. Hij verklaart ook dat dit betekent ‘zonder werking en met werking’, ‘de aard die geen eigen aard heeft’. Subhava, waarvan svabhavat is afgeleid, is samengesteld uit twee woorden: su, ‘mooi’, ‘fraai’, ‘goed’; sva, ‘zelf’; en bhava, ‘zijn’ of ‘toestanden van zijn’.


STANZA 2. Vervolg

      6. DEZE TWEE ZIJN DE KIEM, EN DE KIEM IS ÉÉN. HET HEELAL WAS NOG VERBORGEN IN DE GODDELIJKE GEDACHTE EN DE GODDELIJKE SCHOOT . . .

       De ‘goddelijke gedachte’ houdt niet het denkbeeld van een goddelijke denker in. Het Heelal, niet alleen van het verleden, het heden en de toekomst – wat een menselijk en eindig begrip is, uitgedrukt door een eindige gedachte – maar in zijn totaliteit, het sat (een onvertaalbare term), het absolute zijn, met het verleden en de toekomst in een eeuwig heden gekristalliseerd, dit Heelal is die goddelijke gedachte zelf, weerspiegeld in een secundaire of gemanifesteerde oorzaak. Brahma (onzijdig), evenals het Mysterium Magnum van Paracelsus, is voor het menselijke verstand een volkomen mysterie. Brahma, de mannelijk-vrouwelijke, een aspect en de antropomorfe weerspiegeling van Brahma, is denkbaar voor degenen die een blind geloof bezitten, hoewel hij wordt afgewezen door het menselijke verstand, zodra dit voldoende is ontwikkeld. (Zie Afdeling II, ‘Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte’.)
Vandaar de bewering dat tijdens de ‘proloog’ van het scheppingsdrama, of het begin van de kosmische evolutie het Heelal of de ‘zoon’ nog verborgen ligt ‘in de goddelijke gedachte’, die nog niet was binnengedrongen ‘in de goddelijke schoot’. Dit denkbeeld, let wel, ligt aan de wortel en vormt de oorsprong van elke allegorie over de ‘zonen van god’ die werden geboren uit onbevlekte maagden.


Noten:

  1. ‘Moeder van de goden’, aditi of kosmische Ruimte. In de Zohar wordt zij Sephira genoemd, de moeder van de sephiroth, en shekinah in haar oervorm, in abscondito.
  2. Daarom is Niet-zijn in de esoterische filosofie ‘ABSOLUUT Zijn’. Volgens haar leer is zelfs adi-budha (de eerste of oorspronkelijke wijsheid), wanneer deze is gemanifesteerd, in zekere zin een illusie, maya, want alle goden, met inbegrip van Brahma, moeten aan het eind van de ‘eeuw van Brahma’ sterven; alleen de abstractie die men Parabrahm noemt – of we die nu Ensoph of ‘het Onkenbare’ van Herbert Spencer noemen – is ‘de ene absolute’ Werkelijkheid. Het ene Enig Bestaande is ADVAITA, ‘zonder een tweede’, en al het andere is maya, leert de Advaita-filosofie.
  3. Een weinig dichterlijke term, maar wel heel aanschouwelijk (zie de voetnoot bij Stanza III).
  4. Zelfs in het christendom. (Zie Afd. II, ‘Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte’.)
  5. Gross, ‘The Heathen Religion’, blz. 195.
  6. Noot vert. Protyle is de naam die ca. 1886 werd voorgesteld voor de hypothetische oorspronkelijke ongedifferentieerde stof, waaruit de chemische stoffen die voorlopig als elementen werden beschouwd, kunnen zijn samengesteld.
  7. Een aanhanger van de Vedanta die de Visishtadvaita-filosofie volgt, zou zeggen dat Parabrahmam, hoewel de enige onafhankelijke realiteit, onafscheidelijk is van zijn drie-eenheid, dat Hij drie is, ‘Parabrahmam, chit en achit’, waarvan de laatste twee afhankelijke realiteiten zijn die niet afzonderlijk kunnen bestaan. Om dit te verduidelijken: Parabrahmam is de SUBSTANTIE – onveranderlijk, eeuwig en onkenbaar – en chit (atma) en achit (anatma) zijn zijn eigenschappen, zoals vorm en kleur de eigenschappen van een voorwerp zijn. Deze twee zijn het kleed, of het lichaam, of beter de eigenschap (sarira) van Parabrahmam. Maar een occultist zou tegen deze bewering veel bezwaren hebben, en dat geldt ook voor de aanhanger van de Advaita Vedanta.
  8. Noot vert. Vermoedelijk wordt Genesis V bedoeld.
  9. Noot vert. Zie noot 6.

 


De Geheime Leer 1:84-92

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag