Onze goddelijke leermeesters


   Atlantis en het eiland Phlegyae zijn niet de enige overgebleven herinnering aan de zondvloed. China heeft ook zijn overlevering en het verhaal van een eiland of continent, dat daar Ma-li-ga-si-ma heet, en dat Kaempfer en Faber om de een of andere geheimzinnige fonetische reden spellen als ‘Maurigosima’. Kaempfer beschrijft in zijn ‘Japan’ (Aanhangsel, blz. 13) de overlevering: het eiland verzinkt tengevolge van de verdorvenheid van zijn reuzen naar de bodem van de oceaan, en alleen Peiru-un, de koning, de Chinese Noach, ontsnapt met zijn gezin, wat hij heeft te danken aan een waarschuwing van de goden door middel van twee afgodsbeelden. Die vrome vorst en zijn nakomelingen hebben China bevolkt. De Chinese overleveringen spreken even vaak als die van andere volkeren over de goddelijke dynastieën van koningen.
   Bovendien is er geen enkel oud fragment waarin geen geloof wordt gehecht aan een veelvormige evolutie en zelfs een evolutie via een aantal geslachten – geestelijk, psychisch, verstandelijk en stoffelijk – van mensen, precies zoals in dit boek wordt beschreven. Wij moeten nu enkele van deze beweringen nader beschouwen.
   Onze rassen – dit zeggen alle tradities – zijn voortgekomen uit goddelijke rassen, hoe die ook worden genoemd. Of wij nu te maken hebben met de rishi’s of pitri’s van India; met de Chinese Chim-nang en Tchan-gy, hun ‘goddelijke mens’ en halfgoden; met de Akkadische Dingir en Mul-lil, de scheppende god en de ‘goden van de geestenwereld’; met de Egyptische Isis-Osiris en Thot; met de Hebreeuwse Elohim, ofwel met Manco Capac en zijn Peruaanse nageslacht – het verhaal varieert nergens. Elk volk heeft òf de zeven en tien rishi-manu’s en prajapati’s; de zeven en tien Ki-y; òf tien en zeven Amshaspends1 (exoterisch zes), tien en zeven Chaldeeuwse Annedoti, tien en zeven sephiroth, enz. Ze zijn allen afgeleid van de oorspronkelijke Dhyan-Chohans van de esoterische leer, of de ‘bouwers’ uit de stanza’s (Deel I). Van Manu, Thot-Hermes, Oannes-Dagon en Edris-Henoch tot Plato en Panadorus, allen spreken over de zeven goddelijke dynastieën, over zeven Lemurische en zeven Atlantische afdelingen van de aarde; over de zeven oorspronkelijke en tweevoudige goden die uit hun hemelse verblijfplaats2 afdalen, op aarde regeren en de mensheid sterrenkunde, bouwkunst en alle andere wetenschappen leren die tot ons zijn gekomen. Deze wezens verschijnen eerst als ‘goden’ en scheppers; dan gaan zij op in de wordende mens, om tenslotte als ‘goddelijke koningen en heersers’ tevoorschijn te komen. Maar dit feit is geleidelijk vergeten. Zoals Basnage meedeelt, gaven de Egyptenaren zelf toe dat wetenschap in hun land pas sinds de tijd van Isis-Osiris bloeide, die zij als goden blijven vereren, ‘hoewel zij vorsten in menselijke vorm waren geworden’. En hij voegt er over Osiris-Isis (de goddelijke androgyn) aan toe: ‘Men zegt dat deze vorst (Isis-Osiris) in Egypte steden heeft gebouwd, aan de overstromingen van de Nijl een einde maakte, en de landbouw, het gebruik van de wijnstok, de muziek, de sterrenkunde en de meetkunde uitvond.’
   Wanneer Abul-Feda in zijn ‘Historia Anteislamitica’ (Fleischer, blz. 16) zegt dat de sabaeïsche taal door Seth en Edris (Henoch) was ingesteld, bedoelt hij met ‘sabaeïsche taal’ de sterrenkunde. In de ‘Melelwa Nohil’ (MS. 47 in Nic. Cat.) wordt Hermes de leerling van Agathodaemon genoemd. En in een ander verhaal (zie Col. Vyse, ‘Pyramids of Ghizeh’, Deel II, blz. 364, MS. 785, Uri’s Cat.) wordt Agathodaemon beschreven als een ‘koning van Egypte’. Celepas Geraldinus vertelt merkwaardige overleveringen over Henoch. Hij noemt hem de ‘goddelijke reus’. In het ‘Boek van de verschillende namen van de Nijl’ spreekt dezelfde schrijver (de historicus Ahmed-Ben-Yusouf Eltiphas) over het geloof van de Semitische Arabieren, dat Seth (die later de Egyptische Typhon, Set, is geworden) een van de zeven engelen (of in de bijbel aartsvaders) was geweest: toen werd hij een sterveling en de zoon van Adam, waarna hij de gave van voorspelling en de wetenschap van de sterrenkunde aan Jared meedeelde, die deze doorgaf aan zijn zoon Henoch. Maar Henoch (Idris), ‘de schrijver van dertig boeken, was sabaeïsch van oorsprong’ (d.i. hij behoorde tot de saba, ‘een menigte’); ‘nadat hij de riten en ceremoniën van de oorspronkelijke eredienst had ingesteld, ging hij naar het oosten, waar hij 140 steden bouwde, waarvan Edessa de minst belangrijke was, vervolgens keerde hij terug naar Egypte, waarvan hij koning werd’. Zo wordt hij vereenzelvigd met Hermes. Maar er waren vijf Hermessen – of liever één, die in een aantal verschillende karakters verscheen – evenals sommige manu’s en rishi’s. In de Burham-i-Kati wordt hij beschreven als ‘Hormig’, een naam van de planeet Mercurius of Budha; en de woensdag was aan zowel Hermes als aan Thot gewijd. De Hermes van de oosterse traditie, die in Phineata werd vereerd, is naar men zegt, na de dood van Argus naar Egypte gevlucht en heeft dit onder de naam Thoth tot beschaving gebracht. Maar onder welk van deze karakters hij ook optrad, men schrijft altijd aan hem toe dat hij alle wetenschappen van een sluimerende toestand tot actieve werkzaamheid heeft gebracht, d.i. dat hij de eerste is geweest die aan Egypte en Griekenland de magie heeft geleerd, vóór de tijd van Magna Graecia, toen de Grieken zelfs nog geen Hellenen waren.
   Niet alleen Herodotus – de ‘vader van de geschiedenis’ – vertelt ons over de wonderbaarlijke dynastieën van goden, die voorafgingen aan het bestuur van stervelingen, gevolgd door de dynastieën van halfgoden, helden, en tenslotte mensen, maar de hele reeks klassieke schrijvers steunt hem daarin; Diodorus, Eratosthenes, Plato, Manetho, enz. zeggen hetzelfde en blijven steeds bij de gegeven volgorde.
   Creuzer toont aan: ‘Uit de sferen van de sterren waarin de goden van het licht wonen, daalt inderdaad de wijsheid naar lagere sferen af.’ ‘Volgens het stelsel van de oude priesters (hiërofanten en adepten) worden alle dingen zonder uitzondering, goden, de genii, manes (zielen), de hele wereld, gezamenlijk ontwikkeld in Ruimte en duur. De piramide kan worden beschouwd als het symbool van deze schitterende hiërarchie van geesten3.’
   De hedendaagse geschiedschrijvers (voornamelijk leden van de Franse Academie, zoals Renan) hebben meer pogingen gedaan de waarheid te onderdrukken door de oude annalen van de goddelijke koningen te negeren, dan strikt genomen met eerlijkheid valt te rijmen. Maar Renan zou beslist niet minder geneigd zijn geweest dit onaangename feit te aanvaarden dan Eratosthenes in 260 v.Chr.; en toch zag deze laatste zich genoodzaakt de waarheid ervan te erkennen. Hierom wordt de grote sterrenkundige 2000 jaar later door zijn collega’s met grote minachting behandeld. Manetho werd voor hen ‘een bijgelovige priester, geboren en opgegroeid in een atmosfeer van andere leugenachtige priesters in Heliopolis’ (Freret). ‘Al die geschiedschrijvers en priesters’, merkt de demonoloog De Mirville terecht op, ‘die zo waarheidlievend zijn als zij geschiedenissen herhalen over menselijke koningen en mensen, worden plotseling buitengewoon achterdochtig, zodra zij terugkeren tot hun goden’ . . . Maar wij hebben de synchronistische tafel van Abydos waardoor nu, dankzij het genie van Champollion, de goede trouw van de priesters van Egypte (vooral van Manetho) en van Ptolemeus overtuigend is vastgesteld. In de papyrus van Turijn, de merkwaardigste van alle, ‘vond Champollion’, met de woorden van de egyptoloog De Rougé,
   ‘. . . tot zijn stomme verbazing, dat hij de hele waarheid onder ogen had . . . Het waren de overblijfselen van een lijst van dynastieën die de oudste mythische tijden, of de REGERING VAN DE GODEN EN HELDEN, omvatte . . . Al bij het begin van deze merkwaardige papyrus moeten we tot de overtuiging komen dat al in de tijd van Ramses die mythische en heroïsche overleveringen precies zo waren als Manetho ze aan ons had overgebracht; we zien daarin de goden Seb, Osiris, Horus en Thoth-Hermes als koningen van Egypte optreden, alsmede de godin Ma, terwijl aan het bewind van elk van hen een lange reeks van eeuwen wordt toegeschreven.’ (Ann. de Philologie Chrétienne, Deel XXXII, blz. 442.)
   De synchronistische tafels van Manetho waren nooit verder gekomen dan Manetho; bovendien waren zij door Eusebius met oneerlijke bedoelingen verminkt. De chronologie van de goddelijke koningen en dynastieën, evenals die van de ouderdom van de mensheid, is altijd in handen van de priesters geweest en werd voor de niet-ingewijde massa geheimgehouden.
   Men zegt dat Afrika vóór Europa als continent verscheen; niettemin verscheen het later dan Lemurië en zelfs het oudste Atlantis. Het hele gebied van wat nu Egypte en de woestijnen is, was eens door de zee bedekt, en dit was het eerst bekend door toedoen van Herodotus, Strabo, Plinius en alle Grieken, en ten tweede door toedoen van de geologie. Abessinië was vroeger een eiland; de Delta was het eerste land dat in bezit werd genomen door de emigranten die met hun goden uit het noordoosten kwamen.
   Wanneer was dat? De geschiedenis zwijgt over dit onderwerp. Gelukkig hebben we de Dierenriem van Dendera, de planisfeer op de zoldering van een van de oudste Egyptische tempels, die het feit vermeldt. Deze Dierenriem, met zijn drie mysterieuze Maagden tussen de Leeuw en de Weegschaal, heeft zijn Oedipus gevonden die het raadsel van deze tekens begreep, en die de waarheidsliefde bewees van die priesters die aan Herodotus vertelden: (a) dat de polen van de aarde en de ecliptica vroeger samenvielen; en (b) dat zelfs sinds het begin van hun registraties over de Dierenriem, de polen drie keer in het vlak van de ecliptica zijn geweest, zoals de ingewijden verkondigden.
   Bailly had niet genoeg woorden tot zijn beschikking om zijn verbazing uit te drukken over de eensluidendheid van al dergelijke overleveringen over de goddelijke rassen. ‘Wat zijn eigenlijk’, roept hij uit, ‘al die regeringen door Indiase deva’s en Perzische peri’s? . . . Of die regeringen en dynastieën van de Chinese legenden; die Tien-hoang of de koningen van de hemel, die heel verschillend zijn van de Ti-hoang, de koningen op aarde, en de Gin-hoang, de koninklijke mensen, een onderscheid dat volledig in overeenstemming is met dat andere, dat de Grieken en de Egyptenaren maken bij het opsommen van hun dynastieën van goden, van halfgoden en van stervelingen4.’
   ‘Nu’, zegt Panadorus, ‘vond vóór die tijd (Menes) het bewind plaats van de zeven goden die de wereld regeren. In dat tijdperk daalden die weldoeners van de mensheid neer op aarde en leerden de mensen de loop van de zon en de maan door de twaalf tekens van de ecliptica te berekenen.’
   Bijna vijfhonderd jaar vóór de huidige tijdrekening toonden de priesters van Egypte aan Herodotus de beelden van hun menselijke koningen en piromis-opperpriesters (de aartsprofeten of Maha-Chohans van de tempels), uit elkaar geboren (zonder de tussenkomst van een vrouw), die hadden geregeerd vóór Menes, hun eerste menselijke koning. Deze beelden, zegt hij, waren enorme kolossen van hout, driehonderd vijfenveertig in aantal, elk met zijn eigen naam, geschiedenis en zijn annalen. En zij verzekerden Herodotus5 (tenzij de meest waarheidlievende historicus, de ‘vader van de geschiedenis’, juist in dit geval van liegen wordt beschuldigd), dat geen geschiedschrijver deze bovenmenselijke koningen ooit kon begrijpen of er een verslag over schrijven, tenzij hij de geschiedenis had vernomen en bestudeerd van de drie dynastieën die aan de menselijke waren voorafgegaan – namelijk de dynastieën van de goden, die van de halfgoden en van de helden of reuzen. Deze ‘drie dynastieën’ zijn de drie Rassen6.
   Vertaald in de taal van de esoterische leer, zouden deze drie dynastieën ook die zijn van de deva’s, van de kimpurusha’s en de danava’s en daitya’s – ofwel goden, hemelse geesten en reuzen of titanen. ‘Gelukkig zijn zij die, zelfs na goden te zijn geweest, als mensen worden geboren in Bharata-Varsha!’ roepen de geïncarneerde goden zelf tijdens het derde Wortelras uit. Bharata is India, maar het symboliseerde in dit geval het uitverkoren land van die dagen en werd beschouwd als het beste deel van Jambu-dvipa, want het was bij uitstek het land van actieve (geestelijke) werken, het land van inwijding en van goddelijke kennis.
   Kan men ontkennen dat Creuzer over een groot intuïtief vermogen beschikte, toen hij, terwijl hij vrijwel geen kennis bezat van de filosofie van de Arische hindoes, die in zijn tijd weinig bekend was, het volgende schreef:
   ‘Wij moderne Europeanen zijn verrast wanneer wij horen spreken over de geesten van de zon, maan, enz. Maar wij herhalen dat het natuurlijke gezonde verstand en het oprechte oordeel van de oude volkeren, aan wie onze geheel materiële opvattingen over de beweging van hemellichamen en over de natuurwetenschappen volkomen vreemd waren . . . in de sterren en planeten niet alleen konden zien wat wij erin zien, namelijk eenvoudige massa’s van licht, of donkere lichamen die zich in kringlopen door de hemelruimte bewegen en alleen maar de wetten van aantrekking en afstoting volgen. Maar zij zagen daarin levende lichamen, bezield door geesten, zoals zij die in alle natuurrijken zagen . . . Deze leer van de geesten, die zo consequent en in overeenstemming met de natuur is waaraan zij was ontleend, vormde een grootse en unieke gedachte, waarin de stoffelijke, morele en politieke aspecten alle waren verenigd . . .’ (‘Egypt’, blz. 450 tot 455.)
   Alleen zo’n opvatting kan de mens ertoe brengen een juiste conclusie te trekken over zijn oorsprong en het ontstaan van alles in het heelal – van hemel en aarde, waartussen hij een levende schakel vormt. Zonder zo’n psychologische schakel en het gevoel van de aanwezigheid daarvan, kan geen wetenschap ooit vorderingen maken en moet het gebied van de kennis beperkt blijven tot de analyse van de stoffelijke materie.
   De occultisten geloven in ‘geesten’, omdat zij voelen (en sommigen zien) dat zij aan alle kanten door hen worden omringd7. De materialisten geloven dat niet. Zij leven op deze aarde, op dezelfde manier als sommige schepselen in de wereld van de insecten of zelfs in die van de vissen leven, omringd door tienduizenden van hun eigen soort, zonder deze te zien of zelfs maar gewaar te worden8.
   Plato is de eerste wijze onder de klassieken die uitvoerig over de goddelijke dynastieën spreekt en ze situeert op een uitgestrekt continent dat hij Atlantis noemt. Bailly was niet de eerste en ook niet de laatste die ditzelfde geloofde, en pater Kircher was hem met deze theorie vóór geweest. Deze geleerde jezuïet schrijft in ‘Oedipus Aegyptiacus’ (Deel I, blz. 70):
   ‘Ik erken dat ik dit alles (de dynastieën en Atlantis) lange tijd als alleen maar fabels (meras nugas) had beschouwd, tot de dag waarop ik, omdat ik beter in de oosterse talen was onderricht, oordeelde dat al die legenden tenslotte slechts de uiting van een grote waarheid moesten zijn . . .’
   Zoals De Rougemont aantoont, liet Theopompus in zijn Meropis de priesters van Frygië en Klein-Azië precies zo spreken als de priesters van Saïs, toen zij aan Solon de geschiedenis en het lot van Atlantis onthulden. Volgens Theopompus was het een uniek continent van onbepaalde grootte, dat twee landen omvatte, die door twee rassen werden bewoond – een strijdbaar, oorlogszuchtig ras en een vroom, meditatief ingesteld ras9, die Theopompus symboliseert door twee steden10. De vrome ‘stad’ werd voortdurend bezocht door de goden; de oorlogszuchtige ‘stad’ werd bewoond door verschillende wezens ‘die onkwetsbaar waren voor ijzer en alleen door steen en hout dodelijk konden worden verwond’11. De Rougemont behandelt dit als slechts een verzinsel van Theopompus (‘Peuple Primitif’, deel iii, 157) en ziet zelfs bedrog (supercherie) in de bewering van de priesters van Saïs. Dit werd door de ‘demonologen’ voor onlogisch uitgemaakt. Met de woorden van De Mirville: ‘Een supercherie die berustte op een geloven, het voortbrengsel van het geloof van de hele oudheid; een veronderstelling die toch haar naam heeft gegeven aan een hele bergketen (de Atlas); die met de grootste nauwkeurigheid een topografisch gebied aangaf (door sommige van de landen ervan op korte afstand van Cadiz en de straat van Calpetus te plaatsen); die 2000 jaar vóór Columbus het grote transoceanische land voorspelde dat voorbij Atlantis ligt en dat naar men zegt ‘wordt bereikt’ – ‘over de eilanden, niet van de gezegenden, maar van de goede geesten εὐδαιμόνια’ (onze ‘Iles Fortunées’) – zo’n veronderstelling kan nooit een universele hersenschim zijn’. (A Word on ‘Atlantis’, blz. 29.)
   Het staat vast dat, of het nu een ‘hersenschim’ is of werkelijkheid, de priesters van de hele wereld deze uit een en dezelfde bron hadden: de universele overlevering over het derde grote continent, dat ongeveer 850.000 jaar geleden verging12. Een continent, bewoond door twee verschillende rassen die lichamelijk en vooral moreel van elkaar verschilden; beide goed vertrouwd met de oorspronkelijke wijsheid en de geheimen van de natuur; elkaars tegenstanders bij hun strijd tijdens het verloop en de vooruitgang van hun dubbele evolutie. Waar komen zelfs de Chinese leringen over het onderwerp vandaan, als het maar een verzinsel is? Hebben zij niet opgetekend dat er eens een heilig eiland voorbij de zon (Tcheou) heeft bestaan, waarachter de landen van de onsterfelijke mensen lagen? (Zie De Rougemont, ibid.) Geloven zij niet nog steeds dat de overgeblevenen van die onsterfelijke mensen – die in leven bleven toen het heilige eiland zwart van zonde was geworden en verging – een toevluchtsoord hebben gevonden in de grote Gobiwoestijn, waar zij nog steeds wonen, onzichtbaar voor allen, en door menigten geesten tegen nadering van buitenaf worden beschermd?
   ‘Als men moet luisteren naar overleveringen’, schrijft de heel ongelovige Boulanger (‘Règne des Dieux’, Introduction) . . . ‘dan blijkt dat deze vóór de regering van de koningen, die van de helden en halfgoden plaatsen; en nog veel eerder stellen zij de wonderbaarlijke regering van de goden en al de fabelen van de gouden eeuw . . . Men is verbaasd dat zulke interessante annalen door bijna al onze geschiedkundigen zijn verworpen. En toch werden de denkbeelden die door hen werden meegedeeld, eens algemeen aanvaard en door alle volkeren in ere gehouden; niet weinig volkeren vereren ze nog steeds en maken ze tot de grondslag van hun dagelijkse leven. Zulke overwegingen schijnen een minder haastig oordeel nodig te maken . . . De Ouden, van wie wij deze overleveringen, die we niet langer aanvaarden omdat we ze nu niet begrijpen, hebben gekregen, moeten redenen hebben gehad om erin te geloven, want ze stonden dichter bij de eerste eeuwen. Dit wordt ons ontzegd door de tijdsafstand die ons van hen scheidt . . . Plato zegt in zijn vierde boek van de Wetten, dat Saturnus lang vóór de bouw van de eerste steden op aarde een bepaalde vorm van bestuur had gevestigd, waaronder de mens heel gelukkig was. Omdat hij verwijst naar de gouden eeuw, of naar die regering van de goden die in de oude fabels zo wordt geroemd . . . gaan we na welke denkbeelden hij had over dat gelukkige tijdperk en wat voor hem de aanleiding was, deze fabel in een verhandeling over politiek op te nemen. Volgens Plato moet men, om duidelijke en nauwkeurige denkbeelden over het koningschap, zijn oorsprong en macht te verkrijgen, terugkeren tot de eerste beginselen van de geschiedenis en de overlevering. Grote veranderingen, zegt hij, hebben in de oude tijden plaatsgevonden, in de hemel en op aarde, en de tegenwoordige stand van zaken is een van de gevolgen (karma). Onze overleveringen spreken over veel wonderen, over veranderingen die hebben plaatsgevonden in de loop van de zon, in de regering van Saturnus en in duizend andere zaken die hier en daar in de herinnering van de mens zijn blijven voortleven; maar men hoort nooit iets over het KWAAD dat die omwentelingen heeft voortgebracht, en evenmin over het kwaad dat er onmiddellijk op volgde. Toch . . . is dat kwaad het beginsel waarover men moet spreken om het koningschap en de oorsprong van macht te kunnen behandelen . . .’
   Plato schijnt dat kwaad te zien in de gelijkheid of de eenheid van aard van de regeerders en de geregeerden, want hij zegt dat lang vóór de mens zijn steden bouwde, in de gouden eeuw, er niets dan geluk op aarde bestond, want er waren geen behoeften. Waarom? Omdat Saturnus – die wist dat de ene mens niet over de andere kon heersen zonder dat door zijn grillen en ijdelheid de onrechtvaardigheid onmiddellijk het heelal zou vervullen – nooit enige sterveling zou toestaan macht te krijgen over zijn medeschepselen. Hiertoe gebruikte de god hetzelfde middel dat wijzelf gebruiken als het gaat om onze kudden. Wij plaatsen geen os of ram aan het hoofd van onze ossen en rammen, maar geven hun een leider, een herder, d.w.z. een wezen van een heel andere soort dan zijzelf, en van een hogere natuur. Dit is precies wat Saturnus deed. Hij hield van de mensheid en stelde als heerser daarover geen sterfelijke koning of vorst aan, maar ‘geesten en genii (δαίμονεϛ) van een goddelijke aard, veel hoger dan die van de mens’.
   Het was god, de logos (de synthese van de menigte), die zo de leiding had over de genii en de eerste herder en leider van de mensen werd13. Toen de wereld niet meer zo werd geregeerd en de goden zich hadden teruggetrokken, ‘verslonden verscheurende dieren een deel van de mensheid’. ‘Toen zij op hun eigen hulpbronnen en werkzaamheid waren aangewezen, verschenen er achtereenvolgens onder hen uitvinders die het vuur, het graan en de wijn ontdekten; en zij werden door het dankbare volk vergoddelijkt . . .’ (‘De Legibus’, I, iv; in Crit. en in Politic).
   En de mensheid had gelijk, want vuur door wrijving was het eerste mysterie van de natuur, de eerste en belangrijkste eigenschap van de stof die aan de mens werd onthuld.
   ‘Vruchten en graan, tot die tijd op aarde onbekend, werden door de ‘Heren van wijsheid’ voor het welzijn van diegenen over wie zij regeerden, uit andere loka’s (sferen) hierheen gebracht . . .’, zeggen de Toelichtingen. ‘De eerste uitvindingen (?) van de mensheid zijn de wonderbaarlijkste die het ras ooit heeft gedaan . . . Het eerste gebruik van vuur en de ontdekking van de manier waarop het kan worden ontstoken; de domesticatie van dieren; en vooral de processen waardoor de verschillende granen voor het eerst uit enkele wilde grassoorten (?) werden ontwikkeld – dit zijn allemaal ontdekkingen die, wat vindingrijkheid en belang betreft, niet zijn te vergelijken met latere ontdekkingen. Ze zijn alle onbekend aan de geschiedenis en verliezen zich in het licht van een STRALENDE DAGERAAD.’ (‘Unity of Nature’, Argyll.)
   Onze trotse generatie zal dit betwijfelen en ontkennen. Maar als men beweert dat er geen aan de aarde onbekende granen en vruchten zijn, dan herinneren we de lezer eraan dat tarwe nooit in het wild is aangetroffen: het is geen product van de aarde. Van alle andere granen zijn de oorspronkelijke vormen in verschillende wilde grassoorten gevonden, maar tarwe heeft tot nu toe weerstand geboden aan de pogingen van de plantkundigen om de oorsprong ervan op te sporen. En laten we in dit verband bedenken hoe heilig dat graan bij de Egyptische priesters was; tarwe werd zelfs bij hun mummies geplaatst en werd duizenden jaren later in hun doodkisten gevonden. Denk eraan: ‘De dienaren van Horus oogsten de tarwe op het veld van Aanroo, . . . tarwe zeven ellen hoog.’ (‘Dodenboek’, hfst. xcix, 33; en clvi, 414.) De lezer wordt verwezen naar Stanza VII, vers 3, Deel I, waarin dit vers in een andere betekenis wordt uitgelegd, en ook naar het ‘Dodenboek’, hfst. cix, v. 4 en 5.
   ‘Ik ben de koningin van deze gebieden’, zegt de Egyptische Isis; ‘Ik was de eerste die aan stervelingen de mysteriën van tarwe en graan heeft geopenbaard . . . Ik ben het, die opkomt in het sterrenbeeld de Hond . . . (Hond-ster) . . . Verheug u, o Egypte! gij die mijn voedster waart.’ (Deel I, hfst. xiv)15.
   Sirius werd de hond-ster genoemd. Het was de ster van Mercurius of Budha, die de grote leermeester van de mensheid werd genoemd, vóór de andere Boeddha’s.
   Het boek van de Chinezen, Y-King, schrijft de ontdekking van de landbouw toe aan ‘het onderricht dat door de hemelse genii aan de mensen was gegeven’.
   ‘Wee, wee, de mensen die niets weten, niets waarnemen en ook niets willen zien . . . Ze zijn allen blind16, want het blijft hun onbekend hoe vol de wereld is met verschillende en onzichtbare schepselen, die zich zelfs op de heiligste plaatsen verdringen’ (Zohar, Deel I, kol. 177).
   De ‘zonen van god’ hebben bestaan en bestaan nog. Van de brahmaputra’s en manasaputra’s (zonen van Brahma en verstandgeboren zonen) van de hindoes tot de b’ne-aleim van de joodse bijbel, dwingen het geloof van de eeuwen en de universele overlevering het verstand om voor zulke bewijzen te wijken. Wat is de waarde van de zogenaamde onafhankelijke kritiek of van een ‘impliciet bewijs’ (gewoonlijk gebaseerd op de respectievelijke stokpaardjes van de critici), tegenover het universele getuigenis dat tijdens de historische cyclussen nooit is veranderd? Lees esoterisch het zesde hoofdstuk van Genesis dat, met een kleine verandering van de vorm, de uitspraken van de Geheime Leer herhaalt en dat een andere conclusie trekt, die zelfs in strijd is met de Zohar. ‘Er waren in die dagen reuzen op aarde; en ook daarna toen ‘de zonen van god’ (b’ne-aleim) tot de dochters van de mensen kwamen en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam’ (of reuzen)17.
   Wat betekent de zin ‘en ook daarna’ anders dan: ‘Er waren DAARVÓÓR reuzen op de aarde, d.w.z. vóór de zondeloze zonen van het derde Ras; en ook daarna, toen andere zonen van god, met een lagere natuur, op aarde seksuele verbintenissen aangingen (zoals Daksha deed, toen hij zag dat zijn manasaputra’s de aarde niet wilden bevolken)’? En dan komt er een lange onderbreking in dit hoofdstuk vi van Genesis, tussen de verzen 4 en 5. Want het was beslist niet in of door slechtheid van de ‘geweldigen’ . . . mannen van naam, onder wie zich Nimrod bevond, de ‘geweldige jager voor de Heer’, dat ‘god zag dat de slechtheid van de mens groot was’, en ook niet in de bouwers van Babel, want dit was na de zondvloed; maar in het nageslacht van de reuzen, die monstra quaedam de genere giganteo voortbrachten, monsters uit wie de lagere mensenrassen voortkwamen, die nu op aarde worden vertegenwoordigd door een paar armzalige uitstervende stammen en de grote mensapen.
   En indien de theologen, protestantse of rooms-katholieke, ons hierop aanvallen, hoeven we hen slechts naar hun eigen letterlijke teksten te verwijzen. Het hierboven aangehaalde vers is altijd een dilemma geweest, niet alleen voor de geleerden en bijbelkenners, maar ook voor priesters. Want, zoals de eerwaarde pater Péronne het uitdrukt: ‘Òf zij (de b’ne-aleim) waren goede engelen, en als dat zo is, hoe konden zij dan vallen? Òf ze waren slechte (engelen) en in dat geval konden ze geen b’ne-aleim, de ‘zonen van god’, worden genoemd.’ (Praelectiones theol., hfst. ii.) Dit bijbelse raadsel – ‘en geen enkele schrijver heeft ooit de werkelijke betekenis daarvan begrepen’, zoals Fourmont18 ruiterlijk erkent – kan alleen worden verklaard door de occulte leer, voor de westerling met behulp van de Zohar en voor de oosterling door het Boek van Dzyan. We hebben gezien wat het laatstgenoemde zegt, en de Zohar deelt ons mee: b’ne-aleim was een gemeenschappelijke naam voor de malachim (de goede boodschappers) en de ischin (‘de lagere engelen’) (Rabbi Parcha).
   Wij kunnen hieraan ten behoeve van de demonologen toevoegen dat hun satan, ‘de tegenstander’, in Job behoort tot de zonen van god of b’ne-aleim, die hun vader bezoeken. (Hoofdstuk i.) Maar hierover later meer.
   Nu zegt de Zohar dat de ischin, de mooie b’ne-aleim, niet schuldig waren, maar zich met sterfelijke mensen vermengden omdat zij daarvoor naar de aarde waren gezonden. (Boek van Ruth en Schadash; fol. 63, kol. 3; Amsterdamse uitgave.) Elders zegt hetzelfde boek dat deze b’ne-aleim behoren tot de tiende onderafdeling van de ‘Tronen’ (Zohar, deel iii, kol. 113. Maar zie ook 1ste deel, 184). Het verklaart ook dat de ischin, ‘mensgeesten’, viri spirituales, nu de mensen hen niet langer kunnen zien, door hun kennis de magiërs helpen homunculi voort te brengen, die geen kleine mensen zijn, maar ‘mensen, kleiner (in de zin van minderwaardigheid) dan mensen’. Beide vertonen zich in de vorm die de ischin toen hadden, d.i. gasvormig en etherisch. Azazel staat bij hen aan het hoofd.
   Maar Azazel, die door het kerkelijke dogma in verband wordt gebracht met satan, is niets van dien aard. Azazel is een mysterie, zoals elders wordt uitgelegd en het wordt in Maimonides, ‘In More Nevochim’ (hfst. xxvi, blz. 8) zo uitgedrukt. ‘Er is in het verhaal over Azazel een ondoorgrondelijk mysterie.’ En dat is zo, want Lanci, een bibliothecaris van het Vaticaan en iemand die het zou moeten weten – wij hebben hem al eerder geciteerd – zegt dat ‘deze eerbiedwaardige goddelijke naam (nome divino e venerabile) door de pen van bijbelgeleerden een duivel, een wildernis, een berg en een bok is geworden’ (Sagra Scrittura). Daarom schijnt het dwaas de naam, zoals Spencer doet, af te leiden van Azal (gescheiden) en El (god), dus ‘een van god gescheidene’, de DUIVEL. In de Zohar is Azazel eerder het slachtoffer dan de ‘formele tegenstander van Jehova’, zoals Spencer het voorstelt (II, blz. 14, 29).
   De hoeveelheid kwaadaardige fantasie en verbeelding die door verschillende fanatieke schrijvers op die ‘menigte’ is losgelaten, is buitengewoon groot. Azazel en zijn ‘menigte’ zijn eenvoudig de Hebreeuwse ‘Prometheus’ en behoren vanuit hetzelfde gezichtspunt te worden beschouwd. Volgens de Zohar zijn de ischin (allegorisch) geketend aan de berg in de woestijn; dit verwijst naar het feit dat deze ‘geesten’ tijdens de cyclus van incarnatie aan de aarde zijn geketend. Azazel (of Azaziel) is een van de aanvoerders van de ‘opstandige’ engelen in Henoch, die neerdaalden op Ardis, de top van de berg Armon, en zich verbonden door elkaar trouw te zweren. Er wordt gezegd dat Azaziel de mensen leerde zwaarden, messen en schilden te maken en spiegels (?) te vervaardigen om iemand te laten zien wat er achter hem was (d.w.z. ‘toverspiegels’). Amazarak onderwees alle tovenaars en wortelsplitsers; Amers onderwees de oplossing van de magie; Barkayal de astrologie; Akibeel de betekenis van voortekenen en tekens; Tamial de sterrenkunde; en Asaradel onderwees de beweging van de maan. ‘Deze zeven waren de eerste leermeesters van de vierde mens’ (d.i. van het vierde Ras). Maar waarom moet de allegorie altijd worden begrepen volgens de dode letter?
   Het is de symbolische weergave van de grote worsteling tussen de goddelijke wijsheid, nous, en haar aardse weerspiegeling, psuche, of tussen geest en ziel, in de hemel en op aarde. In de hemel, omdat de goddelijke MONADE zich vrijwillig daaruit had verbannen om, met incarnatie als doel, af te dalen naar een lager gebied en zo het dier van klei te veranderen in een onsterfelijke god. Want, zoals Eliphas Lévi ons zegt, ‘de engelen streven ernaar mensen te worden; want de volmaakte mens, de mens-god, staat zelfs boven de engelen’. Op aarde omdat de geest, zodra hij was neergedaald, verstrikt raakte in de kronkelingen van de stof.
   Vreemd genoeg keert de occulte leer de karakters om; de stof wordt in dit geval bij de christenen voorgesteld door de antropomorfe aartsengel en bij de hindoes door de op een mens lijkende god; en de geest door de draak of de slang. De occulte symboliek verschaft de sleutel tot het mysterie; de theologische symboliek verbergt dit nog meer. Want de eerstgenoemde verklaart veel gezegden in de bijbel en zelfs in het Nieuwe Testament die tot dusver onbegrijpelijk zijn gebleven; terwijl de laatstgenoemde, tengevolge van haar dogma van satan en zijn opstand, het karakter en de aard van haar zogenaamde oneindige, absoluut volmaakte god heeft verkleind en het grootste kwaad en de grootste vloek op aarde heeft geschapen – het geloof in een persoonlijke duivel. Dit mysterie wordt onthuld door de nu terugverkregen sleutel tot zijn metafysische symboliek; terwijl volgens de theologische interpretatie de goden en aartsengelen optreden als symbolen van de dode letter- of dogmatische religies, en als tegenstanders van de zuivere waarheden van de geest, onverhuld en niet versierd door de fantasie.
   In ‘Isis Ontsluierd’ zijn talloze aanwijzingen in deze richting gegeven, en men kan verspreid over deze boekdelen een nog groter aantal verwijzingen naar dit mysterie vinden. Om dit punt eens en voor altijd duidelijk te maken: wat de geestelijkheid van elke dogmatische religie – voornamelijk de christelijke – satan, de vijand van god, noemt, is in werkelijkheid de hoogste goddelijke geest – (occulte wijsheid op aarde) – in zijn natuurlijke antagonisme tegen elke wereldse, vergankelijke illusie, de dogmatische of kerkelijke godsdiensten inbegrepen. De Latijnse kerk, onverdraagzaam, fanatiek en wreed tegenover allen die niet verkiezen haar slaven te zijn; de kerk die zich de bruid van Christus noemt en tegelijkertijd de gevolmachtigde van Petrus, tot wie de bestraffende woorden van de Meester: ‘Ga achter mij satan’ terecht werden gericht; en ook de protestantse kerk die, terwijl zij zich christelijk noemt, op paradoxale manier het Nieuwe Verbond vervangt door de oude ‘wet van Mozes’, die door Christus openlijk werd verworpen: deze beide kerken vechten tegen de goddelijke waarheid, als zij de draak van de esoterische (want goddelijke) wijsheid verwerpen en belasteren. Telkens wanneer zij de banvloek uitspreken over de gnostische zonne-Chnouphis – de Agathodaemon – Christos of de theosofische slang van de eeuwigheid, of zelfs de slang uit Genesis, worden zij door dezelfde geest van duister fanatisme geleid, die de Farizeeën ertoe bracht Jezus te vervloeken met de woorden: ‘Zeggen wij niet met recht, gij hebt een duivel?’
   Lees het verhaal over Indra (Vayu) in de Rig Veda, het occulte boek par excellence van de Ariërs en vergelijk het dan met hetzelfde verhaal in de Purana’s – de exoterische versie daarvan en de opzettelijk verdraaide voorstelling van de ware wijsheid-religie. In de Rig Veda is Indra de hoogste en grootste van de goden, en zijn drinken van de Soma is een allegorie van zijn hoog geestelijke natuur. In de Purana’s wordt Indra een losbol, en iemand die zich op aardse manier volkomen dronken drinkt aan somasap. Hij is de overwinnaar van alle ‘vijanden van de goden’ – de daitya’s, naga’s (slangen), asura’s, alle slangegoden, en van Vritri, de kosmische slang. Indra is de Michaël van het hindoepantheon, de aanvoerder van de strijdende menigte. Als we de bijbel raadplegen, zien we dat satan – een van de ‘zonen van god’ (Job, i, 6) in de exoterische interpretatie de duivel en in de helse, kwade betekenis de draak wordt. Maar volgens de Kabbala (‘Boek van de Getallen’) is Samaël, die satan is, identiek met Michaël, de overwinnaar van de draak. Hoe komt dit? Want er wordt gezegd dat tselem (het beeld) zowel Michaël als Samaël, die één zijn, weerspiegelt. Beiden, zo wordt geleerd, komen voort uit ruach (geest), neshamah (ziel) en nephesh (leven). In het ‘Chaldeeuwse Boek van de Getallen’ is Samaël de verborgen (occulte) wijsheid en Michaël de hogere aardse wijsheid; beide vloeien voort uit dezelfde bron, maar gaan uiteen na hun ontstaan uit de wereldziel, die op aarde mahat (verstandelijk inzicht) of manas (de zetel van het intellect) is. Ze gaan uiteen, omdat de ene (Michaël) wordt beïnvloed door neshamah, terwijl de andere (Samaël) onbeïnvloed blijft. Deze leer werd verminkt door de dogmatische geest van de kerk die, omdat zij een afschuw heeft van de onafhankelijke geest die niet wordt beïnvloed door de uiterlijke vorm (en dus door het dogma), van Samaël-satan (de wijste en de meest spirituele geest van alle) onmiddellijk de tegenstander maakte van haar antropomorfe god en van de zintuiglijke stoffelijke mens, de DUIVEL!

 

Noten:

  1. Er zijn zes Amshaspends – als Ormazd, hun hoofd en logos, niet wordt meegerekend. Maar in de geheime leer is hij de zevende en hoogste, evenals Ptah de zevende kabir onder de kabiren is.
  2. In de Purana wordt deze vereenzelvigd met Vishnu’s of Brahma’s Sveta-dvipa van de berg Meru.
  3. Hfst. iv van ‘Egypt’, blz. 441.
  4. Histoire de l’Astronomie Ancienne.
  5. Zie ook De Mirville, Mémoires a l’Académie, etc., Deel III, voor een schat aan bewijsmateriaal.
  6. In het Vishnu Purana, Deel II, hfst. 3, 4, e.v. kunnen hiervan veel bevestigingen worden gevonden, als men zorgvuldig leest. De regeringen van goden, lagere goden en mensen worden alle opgesomd in de beschrijvingen van de zeven eilanden, zeven zeeën, zeven bergen, enz., bestuurd door koningen. Van elke koning wordt onveranderlijk gezegd dat hij zeven zonen heeft, een verwijzing naar de zeven onderrassen. Eén voorbeeld is voldoende. De koning van Kusa dvipa had zeven zonen (de namen volgen) . . . ‘naar wie de zeven delen (varsha) van het eiland werden genoemd. Daar woont de mensheid tegelijk met zowel daitya’s en danava’s als met geesten van de hemel (gandharva’s, yaksha’s, kimpurusha’s, enz.) en goden’. (Hoofdstuk iv.) Er is maar één uitzondering in het geval van koning Priyavrata, de zoon van de eerste Manu, Svayambhuva – die tien zonen had. Maar drie daarvan – Medha, Agnibahu en Putra – werden asceten en weigerden hun aandeel. Daarom verdeelde Priyavrata de aarde weer in zeven continenten.
  7. Nu zelfs de natuur van de innerlijke mens even blind is geworden als zijn stoffelijke natuur, is de mens als regel op deze bol in dezelfde toestand als de Amphioxus in de oceaan. Omringd door scholen en miljoenen verschillende andere vissen en schepselen die hem zien, ziet de Amphioxus – die geen hersenen heeft en geen enkel zintuig dat de andere soorten bezitten – hen niet. Wie weet of deze ‘branchiostoma’ niet op grond van de theorie van Darwin de directe voorouders van onze materialisten zijn?
  8. Men heeft de occultisten ervan beschuldigd dat zij goden of duivels vereren. Wij ontkennen dit. Onder de talloze menigten geesten – zij, die mensen zijn geweest en diegenen die mensen zullen worden – zijn sommige onmetelijk hoog boven het menselijke ras verheven, hoger en heiliger dan de grootste heilige op aarde, en wijzer dan iedere sterveling, niemand uitgezonderd. Er zijn er ook die niet beter zijn dan wij, en sommige die veel slechter zijn en lager staan dan de laagste wilde. Deze laatste klassen beschikken over de gemakkelijkste manier van verbinding met onze aarde, nemen ons waar en voelen ons aan, zoals helderzienden hen waarnemen en aanvoelen. Onze respectievelijke verblijfplaatsen en waarnemingsgebieden staan dicht bij de hunne en dit is helaas gunstig voor een dergelijke onderlinge communicatie, omdat zij altijd klaar staan om zich ten goede of ten kwade met onze zaken te bemoeien. Als men ons vraagt hoe het komt dat alleen sensitieve hysterische naturen, neuro- en psychopathische personen ‘geesten’ zien en nu en dan met hen spreken, beantwoorden wij de vraag met verschillende andere vragen. Wij vragen: ‘Kent u de aard van hallucinaties en kunt u het psychische proces ervan omschrijven? Hoe kunt u dan zeggen dat al dergelijke visioenen zijn toe te schrijven aan alleen stoffelijke hallucinaties? Wat geeft u de zekerheid dat geestes- en zenuwziekten, die een sluier werpen over onze (zogenaamde) normale zintuigen, niet tegelijk gezichtsvelden openen die onbekend zijn aan de gezonde mens, door deuren open te gooien die gewoonlijk zijn gesloten voor uw wetenschappelijke waarnemingen (?); of dat een psychogeestelijk vermogen niet onmiddellijk in de plaats treedt van het verlies of de tijdelijke atrofie van een zuiver stoffelijk zintuig? Het zijn ziekte of een overmaat aan zenuw-fluïdum, die mediumschap en visioenen teweegbrengen – hallucinaties, zoals u ze noemt. Maar wat weet de wetenschap zelfs maar van mediumschap?’ Werkelijk, als de hedendaagse Charcots vanuit een meer psychisch gezichtspunt aandacht zouden besteden aan het delirium van hun patiënten, zou de wetenschap en vooral de fysiologie er meer voordeel van hebben dan nu, en zou de waarheid een breder veld van feiten in haar kennis betrekken.
  9. Dit waren de eerste Ariërs en het grootste deel van het vierde Wortelras, de eerstgenoemden vroom en meditatief ingesteld (yoga-overpeinzing), de laatstgenoemden een strijdbaar ras van tovenaars, die snel ontaardden tengevolge van hun onbeheerste hartstochten.
  10. Het noordelijke en het zuidelijke deel van Lemurië-Atlantis. Het land van de Hyperboreeërs en de equatoriale landen van de beide continenten. (Zie de hoofdstukken over Lemurië en Atlantis in de geschiedenis.)
  11. Dit is occult en heeft betrekking op de eigenschap van ijzer, dat door magnetische elementen wordt aangetrokken en door andere wordt afgestoten; deze worden daarvoor door een occult proces even ongevoelig als water voor een slag.
  12. Het eerste continent of als men wil eiland, ‘de kap van de noordpool’, is nooit vergaan en zal tot het eind van de zeven Rassen niet vergaan.
  13. De Geheime Leer verklaart en werkt uit wat Plato zegt, want zij verkondigt dat die ‘uitvinders’ goden en halfgoden (deva’s en rishi’s) waren die – sommigen vrijwillig, sommigen daartoe gedwongen door karma – in de mens waren geïncarneerd.
  14. Dit is een rechtstreekse verwijzing naar de esoterische indeling van de beginselen van de mens, gesymboliseerd door de goddelijke tarwe. De aanhef van het derde register van de papyrus (hfst. cx van het ‘Dodenboek’) luidt: ‘Dit is het gebied van de manes (ontlichaamde mensen), zeven ellen hoog’ – dat wil zeggen, degenen die pas zijn overgegaan en die worden verondersteld nog zevenvoudig te zijn, met al hun beginselen, zelfs het lichaam dat, vóór de scheiding van de beginselen, in de kamaloka of in Hades op astrale manier is vertegenwoordigd . . . ‘en er is tarwe, drie ellen hoog voor mummies in een toestand van volmaaktheid’ (d.i. zij die al zijn gescheiden en van wie de drie hogere beginselen in devachan zijn), ‘aan wie wordt toegestaan dat te oogsten’. Dit gebied (devachan) wordt ‘het land van de wedergeboorte van de goden’ genoemd en men zegt dat het wordt bewoond door Scheo, Tefnant en Seb. Het ‘gebied voor de manes, zeven ellen hoog’ (voor de nog onvolmaakte mummies) en het gebied voor hen die ‘in een toestand van volmaaktheid’ zijn, die ‘tarwe oogsten drie ellen hoog’, is zo duidelijk als mogelijk is. De Egyptenaren hadden dezelfde esoterische filosofie die nu door de adepten aan deze kant van de Himalaja wordt onderwezen, en als zij worden begraven, wordt er graan en tarwe op hen gelegd.
  15. Er zijn egyptologen die hebben geprobeerd Osiris met Menes te vereenzelvigen, wat volstrekt onjuist is. Bunsen plaatst Menes in 5867 v.Chr. en wordt daarvoor door de christenen veroordeeld. Maar ‘Isis-Osiris’ regeerde in Egypte vóór de Dendera-Dierenriem op de zoldering van die tempel werd geschilderd, en dat is meer dan 75.000 jaar geleden!
  16. In de tekst ‘dichtgekurkt’ of ‘dichtgeschroefd’.
  17. Genesis, 6:4.
  18. Réflexions critiques sur l’origine des anciens peuples.

De Geheime Leer 2:412-27

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag