De oorsprong van de mythe van satan


   Laten wij deze schepping van de fantasie van de kerkvaders wat dieper doorgronden en het prototype ervan bij de heidenen zoeken. De oorsprong van de nieuwe mythe van satan is gemakkelijk op te sporen. De overlevering van de draak en de zon wordt overal in de wereld aangetroffen, zowel in beschaafde als in half wilde gebieden. Deze ontstond in wat de niet-ingewijden fluisterden over geheime inwijdingen, en werd door de eens universele zonnereligie overal aangenomen. Er was een tijd toen de vier delen van de wereld waren bedekt met tempels die aan de zon en de draak waren gewijd; maar de eredienst is nu voornamelijk in China en in de boeddhistische landen bewaard gebleven; ‘Bel en de draak worden overal met elkaar verbonden en de priester van de ofitische religie neemt ook steeds de naam van zijn god aan’ (‘Archaeology’, Deel xxv, blz. 220, Londen). Onder de religies van het verleden moeten we in Egypte naar de westerse oorsprong van deze eredienst zoeken. De ofieten namen hun riten over van Hermes Trismegistos, en de zonnedienst stak met zijn zonnegoden over van India naar het land van de farao’s. In de goden van Stonehenge herkennen we de godheden van Delphi en Babylon, en in die van de laatstgenoemde de deva’s van de vedische naties. Bel en de draak, Apollo en Python, Krishna en Kaliya, Osiris en Typhon zijn allen één onder veel namen – waarvan Michaël en de rode draak, en Joris en zijn draak de laatsten zijn. Omdat Michaël ‘één als god’ is, of zijn ‘dubbelganger’ voor aardse doeleinden, en een van de Elohim is, de strijdende engel, is hij eenvoudig een omzetting van Jehova. Welke kosmische of sterrenkundige gebeurtenis ook het eerst aanleiding gaf tot de allegorie van de ‘oorlog in de hemel’, de aardse oorsprong ervan moet men zoeken in de tempels van inwijding en in de archaïsche crypten. Hieronder volgen de bewijzen.
   Wij zien (a) dat de priesters de namen aannamen van de goden die zij dienden; (b) dat de ‘draken’ tijdens de hele oudheid als symbolen van onsterfelijkheid en wijsheid, van geheime kennis en van de eeuwigheid werden opgevat; en (c) dat de hiërofanten van Egypte, van Babylon en India zich in het algemeen de ‘zonen van de draak’ en ‘slangen’ noemden; daarmee worden de leringen van de Geheime Leer bevestigd.
   Er waren in Egypte en Chaldea talloze catacomben; sommige heel uitgestrekt. De beroemdste ervan waren de onderaardse crypten van Thebe en Memphis. De eerstgenoemde begonnen aan de westelijke oever van de Nijl, strekten zich uit naar de Lybische woestijn en stonden bekend als de catacomben of gangen van de slang. Daar werden de heilige mysteriën van de kuklos anagkes, de ‘onvermijdelijke cyclus’, uitgevoerd, meer algemeen bekend als ‘de kringloop van de noodzakelijkheid’; het onverbiddelijke lot dat elke ziel na de dood van het lichaam wordt opgelegd, wanneer over haar in het gebied van amenti is geoordeeld.
   In het boek van De Bourbourg beschrijft Votan, de Mexicaanse halfgod, als hij over zijn tocht vertelt, een onderaardse gang die bij de wortel van de hemelen eindigde, en hij voegt eraan toe dat deze gang een slangenhol was, ‘un agujero de culebra’; en dat hij daarin werd toegelaten omdat hijzelf ‘een zoon van de slangen’ of een slang was. (‘Die Phönizier’, 70.)
   Dit geeft inderdaad te denken, want zijn beschrijving van het slangenhol is die van de bovengenoemde oude Egyptische crypt. Bovendien noemden de hiërofanten van Egypte en Babylon zich tijdens de mysteriën gewoonlijk de ‘zonen van de slangengod’ of ‘de zonen van de draak’.
   ‘De Assyrische priester droeg altijd de naam van zijn god’, zegt Movers. De druïden van de Keltisch-Britse gebieden noemden zich ook slangen. ‘Ik ben een slang, ik ben een druïde’, riepen zij uit. Het Egyptische Karnak is de tweelingbroer van het Carnac van Bretagne; dit laatste betekent de slangenberg. De dracontia bedekten eens het oppervlak van de aarde, en deze tempels waren gewijd aan de draak, alleen omdat deze het symbool van de zon was, die op zijn beurt het symbool was van de hoogste god – de Fenicische Elon of Elion, die door Abraham werd erkend als El Elion1. Behalve dat zij de bijnaam van slangen hadden, werden zij ook de ‘bouwers’, de ‘architecten’ genoemd; want de geweldige grootsheid van hun tempels en monumenten was zodanig, dat de in puin gevallen overblijfselen ervan zelfs nu nog ‘een uitdaging vormen voor de wiskundige berekeningen van onze hedendaagse ingenieurs’, zegt Taliesin2.
   De Bourbourg merkt op dat de opperhoofden met de naam Votan, de Quetzalcoatl of slangengod van de Mexicanen, de afstammelingen zijn van Cham en Kanaän. ‘Ik ben Hivim’, zeggen zij. ‘Omdat ik een hivim ben, behoor ik tot het grote ras van de draak (slang). Ik ben zelf een slang, want ik ben een hivim.’ (‘Cartas’, 51; ‘Isis Ontsluierd’, Deel I, 553 e.v., Eng. uitgave.)
   Verder blijkt dat de ‘oorlog in de hemel’ in een van zijn betekenissen betrekking heeft op die verschrikkelijke worstelingen die de kandidaat voor adeptschap te wachten staan, tussen hemzelf en zijn (door magie) verpersoonlijkte menselijke hartstochten, waarbij de innerlijk verlichte mens ze moest doden of moest falen. In het eerste geval werd hij de ‘drakendoder’, omdat hij alle verleidingen op gelukkige manier had weerstaan; en een ‘zoon van de slang’ en zelf een slang, omdat hij zijn oude huid had afgeworpen en in een nieuw lichaam was geboren, waarbij hij een zoon van wijsheid en onsterfelijkheid in eeuwigheid werd (zie Afd. II over de mythe van satan).
   Seth, de veronderstelde voorvader van Israël, is slechts een joodse versie van Hermes, de god van de wijsheid, ook Thoth, Tat, Seth, Set en Satan genoemd. Hij is ook Typhon – dezelfde als Apophis, de draak die door Horus werd gedood; want Typhon werd ook Set genoemd. Hij is eenvoudig de duistere kant van Osiris, zijn broer, zoals Angra Mainyu de zwarte schaduw van Ahura Mazda is. Vanuit aards standpunt stonden al deze allegorieën in verband met de beproevingen van het adeptschap en de inwijding. Sterrenkundig gezien hadden zij betrekking op de zons- en maansverduisteringen, waarvan we de mythische verklaringen nog steeds in India en Ceylon kunnen vinden, waar iedereen de allegorische verhalen en overleveringen kan bestuderen die duizenden jaren onveranderd zijn gebleven.
   Rahu is mythologisch een daitya – een reus, een halfgod, van wie het onderlichaam eindigde in een draken- of slangenstaart. Tijdens het karnen van de oceaan, toen de goden amrita – het water van onsterfelijkheid – voortbrachten, stal hij er wat van, dronk het en werd onsterfelijk. De zon en de maan, die hem bij zijn diefstal betrapten, klaagden hem aan bij Vishnu, die hem in de sferen van de sterren plaatste, waar zijn bovenlichaam de drakenkop en het ondergedeelte (ketu) de drakenstaart voorstelde; deze twee zijn de rijzende en de dalende knoop. Sindsdien wreekt Rahu zich op de zon en de maan door ze af en toe te verslinden. Maar deze fabel had nog een andere mystieke betekenis, want Rahu, de drakenkop, speelde een belangrijke rol in de mysteriën van de inwijding van de zon (Vikarttana), wanneer de kandidaat en de draak een beslissende strijd voerden.
   De grotten van de rishi’s, de verblijfplaatsen van Teiresias en de Griekse zieners, waren gemaakt naar het voorbeeld van die van de naga’s – de koningslangen van de hindoes, die in holen in de rotsen onder de grond woonden. Van Sesha, de duizendkoppige slang waarop Vishnu rust, tot Python, het draken-slangenorakel toe, wijzen ze alle op de geheime betekenis van de mythe. In India vinden we dit feit in de oudste Purana’s genoemd. De kinderen van Surasa zijn de ‘machtige draken’. Het Vayu Purana vervangt ‘Surasa’ (uit het Vishnu Purana) door danaya’s of danava’s – de afstammelingen van Danu en de wijze Kasyapa – en die danava’s zijn de reuzen (of titanen) die oorlog voerden tegen de goden, zodat ze identiek blijken te zijn met de ‘draken’ en ‘slangen’ van wijsheid.
   Door de zonnegoden van alle landen te vergelijken kan men op eenvoudige manier zien dat hun allegorieën volmaakt met elkaar overeenstemmen; en hoe occulter het allegorische symbool is, des te meer stemt het overeenkomstige symbool in de andere stelsels ermee overeen. Als we dus uit drie schijnbaar sterk verschillende stelsels – het oude Arische, het oude Griekse en het hedendaagse christelijke stelsel – willekeurig een aantal zonnegoden en draken kiezen, zullen we zien dat deze kopieën van elkaar zijn.
   Laten we van de hindoes Agni, de vuurgod, Indra, het uitspansel, en Karttikeya nemen, verder de Griekse Apollo, en tenslotte Michaël, de ‘engel van de zon’, de eerste van de aeonen, door de gnostici ‘de verlosser’ genoemd, en die achtereenvolgens beschouwen.
   (1) Agni – de vuurgod – wordt in de Rig Veda Vaisvanara genoemd. Nu is Vaisvanara een danava – een reuzen-demon3, van wie de dochters Puloma en Kalaka de moeders zijn van talloze danava’s (30 miljoen), door Kasyapa4, en wonen in Hiranyapura, ‘de gouden stad’, die in de lucht zweeft. Indra is dus in zekere zin als zoon van Kasyapa de stiefzoon van deze twee; en Kasyapa komt in deze betekenis overeen met Agni, de vuurgod of zon (Kasyapa-Aditya). Tot deze zelfde groep behoort Skanda of Karttikeya (de god van de oorlog, sterrenkundig gezien de planeet Mars met de zes gezichten), een kumara of maagdelijke jongeling, geboren uit Agni5 om Taraka, de danava demon, de kleinzoon van Kasyapa bij Hiranyaksha, zijn zoon6, te vernietigen. De yogapraktijken van Taraka waren zo buitengewoon streng, dat zij de goden, die zo’n rivaal in macht vreesden, schrik aanjoegen7. Terwijl Indra, de stralende god van het uitspansel, Vritra (of Ahi), de slangendemon doodt, voor welke daad hij Vritra-han, ‘de vernietiger van Vritra’ wordt genoemd, voert hij ook de menigten van de deva’s (engelen of goden) aan tegen andere goden die in opstand komen tegen Brahma, waarvoor hij Jishnu wordt genoemd, ‘leider van de hemelse menigte’. Karttikeya blijkt dezelfde titels te dragen. Voor het doden van Taraka, de danava, wordt hij Taraka-jit genoemd, ‘de overwinnaar van Taraka’8, ‘kumara guha’, ‘de geheimzinnige maagdelijke jongeling’, ‘siddha-sena’, ‘de leider van de siddha’s’; en saktidhara, de ‘speerdrager’.
   (2) Neem nu Apollo, de Griekse zonnegod en zie, door de mythische verhalen over hem te vergelijken, of hij niet overeenkomt met zowel Indra, Karttikeya, als zelfs met Kasyapa-Aditya, en tegelijkertijd met Michaël (als de engelvorm van Jehova), de ‘engel van de zon’, die ‘gelijk aan’ en ‘één met God’ is. Latere spitsvondige interpretaties ten behoeve van monotheïstische doeleinden, al zijn ze ook verheven tot onfeilbare kerkelijke dogma’s, bewijzen niets, behalve misschien het misbruik dat is gemaakt van menselijk gezag en menselijke macht.
   Apollo is Helios (de zon), Phoibos-Apollo (‘het licht van het leven en van de wereld’9), die oprijst uit de beker met de gouden vleugels (de zon); daarom is hij de zonnegod par excellence. Op het moment van zijn geboorte vraagt hij naar zijn boog om Python, de demondraak te doden, die zijn moeder vóór zijn geboorte aanviel10 en die hij op last van de goden moet vernietigen – evenals Karttikeya, die wordt geboren om Taraka, de te heilige en wijze demon, te doden. Apollo wordt geboren op een siderisch eiland dat Asteria – ‘het gouden ster-eiland’ heet, de ‘aarde die in de lucht zweeft’, wat het gouden Hiranyapura van de hindoes is; ‘hij wordt de zuivere, ἁγνόϛ, Agnus Dei’ genoemd (de Indiase Agni, zoals dr. Kenealy denkt) en in de oorspronkelijke mythe is hij vrij ‘van alle zinnelijke liefde’ (‘Book of God’, blz. 88). Hij is dus een kumara, evenals Karttikeya, en zoals ook Indra in zijn vroegere leven en volgens zijn biografieën was. Bovendien verbindt Python, de ‘rode draak’, Apollo met Michaël, die de apocalyptische draak bestrijdt die de barende vrouw wil aanvallen (zie Openbaring, xii), zoals Python de moeder van Apollo aanvalt. Is het mogelijk dat iemand de overeenkomst niet ziet? Als de Right Honourable W.E. Gladstone, die zich laat voorstaan op zijn kennis van het Grieks en zijn inzicht in de geest van de allegorieën van Homerus, ooit een echt vermoeden had gehad van de esoterische betekenis van de Ilias en de Odyssee, dan zou hij de ‘Openbaring’ van Johannes en zelfs de Pentateuch beter hebben begrepen dan in feite het geval is. Want de weg naar de bijbel loopt via Hermes, Bel en Homerus, terwijl de weg naar deze gaat via de Hindoe- en Chaldeeuwse religieuze symbolen.
   Deze archaïsche overlevering wordt herhaald in hfst. xii van de Openbaringen van Johannes en komt zonder enige twijfel uit de Babylonische legenden, hoewel het Babylonische verhaal zijn oorsprong had in de allegorieën van de Ariërs. Het door wijlen George Smith gelezen fragment (zie ‘The Chaldean Account of Genesis’, blz. 304) is voldoende om de bron van hoofdstuk xii van de Apocalyps te onthullen. De beroemde assyrioloog zegt het als volgt:
   ‘Ons . . . fragment heeft betrekking op de schepping van de mensheid, die Adam wordt genoemd; als (de mens) in de bijbel wordt hij volmaakt geschapen . . . maar later verenigt hij zich met de draak van de afgrond, het beest van Tiamat, de geest van de Chaos, en zondigt tegen zijn god, die hem vervloekt en al het kwaad en de moeilijkheden van de mensheid op zijn hoofd laat neerdalen11.’
   ‘Hierop volgt een oorlog tussen de draak en de machten van het kwaad, of de chaos aan de ene kant en de goden aan de andere.’
   ‘De goden laten wapens voor zich smeden12 en Merodach (de aartsengel Michaël in de Openbaring) neemt op zich de hemelse menigte aan te voeren tegen de draken. De oorlog, die met vuur wordt beschreven, eindigt natuurlijk met de overwinning van de beginselen van het goede . . .13.’
   Deze oorlog van goden met de machten van de afgrond heeft in de laatste en aardse toepassing ervan ook betrekking op de strijd tussen de Arische adepten van het komende vijfde Ras en de tovenaars van Atlantis, de demonen van de afgrond, de door water omringde eilandbewoners die in de zondvloed verdwenen. (Zie de laatste bladzijden van Deel I van ‘Isis Ontsluierd’, Atlantis.)
   De symbolen van de draken en de ‘oorlog in de hemel’ hebben, zoals gezegd, meer dan één betekenis; religieuze, sterrenkundige en geologische gebeurtenissen zijn in één gemeenschappelijke allegorie opgenomen. Maar deze had ook een kosmologische betekenis. In India wordt het verhaal van de draak in een van zijn vormen herhaald in de strijd tussen Indra en Vritra. In de Veda’s wordt deze Ahi-Vritra aangeduid als de demon van de droogte, de verschrikkelijke hete wind. Indra is voortdurend met hem in oorlog; en met behulp van zijn donder en bliksem dwingt hij Ahi-Vritra als regen op de aarde neer te stromen, en daarna doodt hij hem. Daarom wordt Indra de Vritra-Han of ‘de doder van Vritra’ genoemd, zoals Michaël de overwinnaar en ‘doder van de draak’ is. Deze beide ‘vijanden’ zijn dus de ‘oude draak’, die in deze ene betekenis in de diepten van de aarde wordt geworpen.
   De Amshaspends uit de Zend-Avesta zijn een menigte met een aanvoerder zoals Michaël aan het hoofd, en ze schijnen overeen te komen met de legioenen van de hemel, in het verhaal van de Vendidad. Zo draagt in Fargard XIX, ii, 13 (42) Ahura Mazda aan Zarathoestra op, ‘de amesha spenta op te roepen, die over de zeven karshvares14 van de aarde regeren’. Deze karshvares hebben in hun zeven toepassingen evengoed betrekking op de zeven sferen van onze planeetketen, als op de zeven planeten, de zeven hemelen, enz., al naar gelang de betekenis wordt toegepast op een stoffelijke, bovenwereldse of eenvoudig op een siderische wereld. In dezelfde Fargard (ii en iii) doet Zarathoestra in zijn bezwering tegen Angra Mainyu en zijn menigte, een beroep op hen met deze woorden: ‘Ik roep de zeven stralende sravah met hun zonen en hun kudden aan’ (42 Vendid. Sadah). De ‘sravah’ – een woord waarvan de betekenis voor de oriëntalisten ‘onbekend’ is – slaat op dezelfde Amshaspends, maar in hun hoogste occulte betekenis. De ‘sravah’ zijn de noumenoi van de waarneembare Amshaspends, de zielen of geesten van die gemanifesteerde machten; en ‘hun zonen en hun kudden’ heeft betrekking op de planetaire engelen en hun siderische kudden van sterren en sterrenbeelden. ‘Amshaspend’ is de exoterische term die alleen in aardse combinaties en voor aardse zaken wordt gebruikt. Zarathoestra spreekt Ahura Mazda voortdurend aan als ‘u, de maker van de stoffelijke wereld’. Ormazd is de vader van onze aarde (Spenta Armaiti) en als zij wordt verpersoonlijkt, duidt men haar aan als ‘de schone dochter van Ahura Mazda’ (Fargard, XIX, ii), die ook de schepper is van de Boom (van occulte en geestelijke kennis en wijsheid) waarvan de mystieke en geheimzinnige Baresma wordt verkregen. Maar de occulte naam van de stralende god werd nooit buiten de tempel uitgesproken.
   Samaël of satan, de verleidende slang van Genesis en een van de oorspronkelijke engelen die in opstand kwamen, is de naam van de ‘rode draak’. Hij is de engel van de dood, want de talmoed zegt dat ‘de engel van de dood en satan dezelfde zijn’, en nadat hij door Michaël is gedood, wordt hij nog eens gedood door Joris, die ook een drakendoder is; maar let op de transformaties hiervan. Samaël komt overeen met de samoem, de hete woestijnwind of ook met de vedische demon van de droogte, Vritra; ‘Samoem wordt Atabutos’ of diabolos, de duivel, genoemd.
   Typhon, of de draak Apophis – de aanklager in het ‘Dodenboek’ – wordt verslagen door Horus, die het hoofd van zijn tegenstander met een speer doorboort; en Typhon is de allesvernietigende woestijnwind, het opstandige element dat alles in verwarring brengt. Als Set is hij de duisternis van de nacht, de moordenaar van Osiris, die het licht van de dag en de zon is. De archeologie toont aan dat Horus identiek is met Anubis15, van wie op een Egyptisch monument een afbeelding was ontdekt met een kuras en een speer, zoals ook Michaël en Joris werden afgebeeld. Anubis wordt ook voorgesteld terwijl hij een draak doodt, die de kop en de staart van een slang heeft. (Zie Lenoir, ‘Du Dragon de Metz’.)
   Kosmologisch gezien zijn dus alle draken en slangen die door hun ‘doders’ zijn overwonnen, in hun oorsprong de onstuimige verwarde beginselen in de Chaos, waarin orde is gebracht door de zonnegoden of scheppende machten. In het ‘Dodenboek’ worden die beginselen ‘de zonen van de opstand’ genoemd. (Zie ook ‘Egyptian Pantheon’, blz. 20, 23.) ‘In die nacht roept de onderdrukker, de moordenaar van Osiris, ook genoemd de misleidende slang (vers 54) . . . de zonen van de opstand in de lucht, en wanneer zij in het oosten van de hemel aankomen, is er oorlog in de hemel en in de hele wereld’ (v. 49, ‘Dodenboek’, xvii).
   In de Scandinavische Edda’s is de ‘oorlog’ van de Asen met de Hrimthursen (ijs-reuzen) en van Asathor met de Jotuns, de slangen en draken en de ‘wolf’ die uit de ‘duisternis’ komt – een herhaling van dezelfde mythe. De ‘boze geesten’16, die in het begin eenvoudig de symbolen van de Chaos waren, werden door het bijgeloof van de massa vergoddelijkt, tot zij tenslotte burgerrecht verkregen bij de beschaafdste en geleerdste rassen van deze bol – sinds zijn schepping, zoals men beweert – en bij de christenen een dogma werden. Zoals George Smith zegt: ‘De boze beginselen (geesten), symbolen van de Chaos’ (zowel in Chaldea en Assyrië als in Egypte, zoals we zien) . . . ‘bieden weerstand aan deze verandering en voeren oorlog tegen de maan, de oudste zoon van Bel, terwijl zij de zon, Venus en de atmosferische god Vul overhalen hun kant te kiezen.’ (‘Assyrian Discoveries’, blz. 403.) Dit is slechts een andere versie van de ‘oorlog in de hemel’ van de hindoes, tussen Soma, de maan en de goden – waarbij Indra de atmosferische god Vul is; hieruit blijkt duidelijk dat het zowel een kosmogonische als een sterrenkundige allegorie is, verweven met en ontleend aan de oudste theogonie, zoals die werd onderwezen in de mysteriën.
   Men kan de werkelijke betekenis van de draak, de slang, de geit en al die symbolen van zogenaamde boze machten, het beste zien in de religieuze leringen van de gnostici, want zij onthulden in hun leringen de esoterische aard van het joodse substituut voor AIN-SOPH. Over de werkelijke betekenis daarvan wisten de christenen, een paar uitgezonderd, niets, en de rabbi’s hielden deze verborgen. Jezus van Nazareth zou zijn apostelen beslist niet de raad hebben gegeven zich zo wijs als de slang te tonen, als de laatstgenoemde een symbool van de duivel was geweest; en evenmin zouden de ofieten, de geleerde Egyptische gnostici van de ‘broederschap van de slang’, bij hun ceremoniën een levende slang hebben vereerd als het symbool van de WIJSHEID, de goddelijke Sophia (en een type van het volkomen goede, niet het volstrekt slechte), als dat reptiel zo nauw was verbonden met satan. Zelfs als een gewone slang is zij altijd een tweevoudig symbool geweest; en als draak was zij nooit iets anders dan een symbool van de gemanifesteerde godheid in haar grote wijsheid. De draco volans, de vliegende draak van de oude schilders, is misschien een overdreven afbeelding van het werkelijke uitgestorven voordiluviaanse dier; maar zij die vertrouwen hebben in de occulte leringen, geloven dat er in oude tijden zulke schepselen als vliegende draken, of een soort pterodactyli, waren en dat die reusachtige gevleugelde hagedissen dienden als prototypen voor de seraf van Mozes en zijn grote koperen slang17. De joden hadden de laatstgenoemde afgod zelf vereerd, maar na de door Hizkia ingevoerde religieuze hervormingen veranderden ze van mening en noemden dat symbool van de grote of hogere god van elk ander volk een duivel, en hun eigen overweldiger de ‘ene God’18.
   De benaming sa’tan, in het Hebreeuws satan, ‘een tegenstander’ (van het werkwoord shatana, ‘vijandig zijn’, vervolgen), behoort rechtmatig aan de eerste en wreedste ‘tegenstander van alle andere goden’, Jehova, en niet aan de slang, die slechts woorden van sympathie en wijsheid sprak en in het ergste geval zelfs volgens het dogma ‘de tegenstander van de mensen’ is. Dit dogma, dat is gebaseerd op hoofdstuk iii van Genesis, is even onlogisch en onrechtvaardig als paradoxaal. Want wie heeft het eerst die oorspronkelijke en voortaan universele verleidster van de man – de vrouw – geschapen? Beslist niet de slang, maar de ‘Heer God’ zelf die, terwijl hij zei: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is’, de vrouw maakte ‘en haar bij de man bracht’ (18-22). Als het onaangename kleine voorval dat volgde moest en nog steeds moet worden opgevat als de ‘erfzonde’, dan stelt dit de goddelijke vooruitziende blik van de schepper wel in een heel slecht licht. Het zou voor de eerste Adam (van hfst. 1) veel beter zijn geweest als hij òf ‘mannelijk en vrouwelijk’ òf ‘alleen’ was gelaten. Blijkbaar was de Heer God de werkelijke oorzaak van al het onheil, de ‘agent provocateur’, terwijl de slang – slechts een prototype was van Azazel, ‘de zondebok voor de zonde van (de god van) Israël’, de arme Tragos, die de straf moest ondergaan voor de blunder van zijn meester en schepper. Dit is natuurlijk alleen aan het adres van diegenen die de eerste gebeurtenissen van het drama van de mensheid in Genesis in hun dode-letter betekenis aanvaarden. Zij die deze gebeurtenissen esoterisch lezen, beperken zich niet tot fantastische speculaties en hypothesen; zij weten hoe zij de erin vervatte symboliek moeten lezen, en zij kunnen zich niet vergissen.
   Het is hier niet nodig de mystieke en vele betekenissen van de naam Jehova in zijn abstracte zin te behandelen, onafhankelijk van de godheid die ten onrechte met die naam wordt aangeduid. Het was een sluier die door toedoen van de rabbi’s was ontstaan, een geheim dat door hen met tienvoudige zorg werd bewaard, nadat de christenen hen hadden beroofd van deze godnaam, die hun eigendom was19. Maar wij beweren het volgende. De persoon die in de eerste vier hoofdstukken van Genesis afwisselend ‘God’, de ‘Heer God’ en eenvoudig ‘Heer’ wordt genoemd, is niet een en dezelfde, en beslist niet Jehova. Er zijn drie verschillende klassen of groepen van Elohim, die in de Kabbala sephiroth worden genoemd. Jehova verschijnt pas in hoofdstuk iv, in het eerste vers, waarin hij de naam Kaïn heeft, en in het laatste vers, waarin hij wordt veranderd in de mensheid – mannelijk en vrouwelijk, Jah-veh20. De ‘slang’ is bovendien niet satan, maar de stralende engel, een van de Elohim, gehuld in glans en heerlijkheid, die de vrouw beloofde dat als zij van de verboden vrucht aten, ‘u beslist niet zult sterven’, en zijn belofte hield en de mens onsterfelijk maakte in zijn onvergankelijke natuur. Hij is de Iao van de mysteriën, het hoofd van de androgyne scheppers van de mensen. Hoofdstuk iii bevat (esoterisch) het wegtrekken van de sluier van onwetendheid, die de waarnemingen van de engel-mens, gemaakt naar het beeld van de ‘beenderloze’ goden, buitensloot, en het openstellen van zijn bewustzijn voor zijn werkelijke natuur; hierdoor werd de stralende engel (Lucifer) getoond in het licht van een schenker van onsterfelijkheid, en als de ‘lichtbrenger’; terwijl de werkelijke val in de voortplanting en de stof moet worden gezocht in hoofdstuk iv. Daar schept Jehova-Kaïn, het mannelijke deel van Adam, de tweevoudige mens, nadat hij zich van Eva had gescheiden, in haar ‘Abel’, de eerste natuurlijke vrouw21, en vergiet het maagdelijke bloed. Op gezag van de juiste lezing van vers 1, hoofdstuk iv, Genesis in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst is Kaïn identiek met Jehova; en omdat de rabbi’s onderwijzen dat ‘Kin (Kaïn), de boze, de zoon was van Eva en Samaël, de duivel die de plaats van Adam innam’; en omdat de talmoed eraan toevoegt dat ‘de boze geest, satan en Samaël, de engel van de dood, dezelfden zijn’ – (Babba Battra, 16a) – is het gemakkelijk in te zien dat Jehova (de mensheid, of ‘Jah-hovah’) en satan (dus de verleidende slang) in elk opzicht een en dezelfde zijn. Er is geen duivel, geen kwaad, buiten de mensheid die een duivel voortbrengt. Kwaad is een noodzaak in, en een van de dragers van het gemanifesteerde heelal. Het is nodig voor vooruitgang en evolutie, zoals de nacht nodig is om de dag voort te brengen, en de dood om leven voort te brengen – opdat de mens eeuwig mag leven.
   Satan vertegenwoordigt metafysisch eenvoudig het omgekeerde of de tegengestelde pool van alles in de natuur22. Hij is allegorisch de ‘tegenstander’, de ‘moordenaar’ en de grote vijand van alles, omdat er in het gehele heelal niets is dat niet twee kanten heeft – de keerzijden van dezelfde medaille. Maar in dat geval kunnen licht, goedheid, schoonheid, enz. met evenveel recht satan worden genoemd als de duivel, omdat zij de tegenstanders zijn van duisternis, slechtheid en lelijkheid. En nu zullen de filosofie en de logische grondslag van bepaalde vroege christelijke sekten – die ketters werden genoemd en werden beschouwd als de gruwel van hun tijd – begrijpelijker worden. Wij gaan misschien begrijpen hoe het kwam dat de sekte van de SATANISTEN werd verguisd en zonder enige hoop op rehabilitatie in de toekomst in de ban werd gedaan; zij hielden namelijk hun leringen geheim. Hoe de KAÏNIETEN op grond van hetzelfde beginsel werden verguisd, en zelfs de (Judas) ISCARIOTTEN; want de ware aard van deze apostel en verrader is voor de rechtbank van de mensheid nooit op de juiste manier weergegeven.
   Als direct gevolg hiervan worden ook de leringen van de gnostische sekten duidelijk. Elk van deze sekten was gesticht door een ingewijde, terwijl hun leringen waren gebaseerd op de juiste kennis van de symboliek van elk volk. Zo wordt het begrijpelijk waarom Ilda-Baoth door de meesten van hen werd beschouwd als de god van Mozes, en voor een trotse, eerzuchtige en onzuivere geest werd aangezien, die zijn macht had misbruikt door zich op de plaats van de hoogste god te stellen, hoewel hij niet beter en in sommige opzichten veel slechter was dan zijn broeders-Elohim. Deze laatsten vertegenwoordigden de alomvattende, gemanifesteerde godheid slechts collectief, omdat zij de vormgevers waren van de eerste differentiaties van de oorspronkelijke kosmische substantie voor de schepping van het Heelal van de verschijnselen. Daarom noemden de gnostici Jehova de schepper van en één met Ophiomorphos, de slang, satan of het KWAAD. (Zie ‘Isis Ontsluierd’, II, blz. 184, Eng. uitgave.) Zij verkondigden dat Iurbo en Adonai ‘namen waren van Jao-Jehovah, die een emanatie is van Ilda Baoth’ (Codex Nazaraeus). (Zie Afd. II, ‘De gevallen engelen’.) Dit kwam in hun taal neer op wat de rabbi’s meer versluierd uitdrukten door te zeggen dat Kaïn was voortgebracht door Samaël of satan.
   De gevallen engelen worden in alle oude stelsels allegorisch tot prototypen van gevallen mensen gemaakt – en esoterisch tot die mensen zelf. Zo werden in de Semitische overleveringen de Elohim van het uur van schepping de ‘Beni-Elohim’, de zonen van God, onder wie zich satan bevindt. De oorlog in de hemel tussen Thraetaona en Azhi-dahaka, de vernietigende slang, eindigt volgens Burnouf op aarde in de strijd van de vrome mensen tegen de macht van het kwade, ‘van de Iraniërs met de Arische brahmanen van India’. En het conflict van de goden met de Asura’s wordt herhaald in de grote oorlog – het Mahabharata. In de meest recente religie, het christendom, worden alle strijdenden, goden en demonen, tegenstanders in beide kampen, nu veranderd in draken en satans, eenvoudig om het verpersoonlijkte kwaad te verbinden met de slang van Genesis, en zo het nieuwe dogma te bewijzen23.

 

Noten:

  1. Zie Sanchoniathon in ‘Eusebius’, Pr. Ev. 36, Genesis xiv.
  2. ‘Society of Antiquaries of London’, deel xxv, blz. 220.
  3. Hij wordt zo genoemd en opgenomen in de lijst van de danava’s in het Vayu Purana; de commentator van het Bhagavata Purana noemt hem een zoon van Danu, maar de naam betekent ook ‘geest van de mensheid’.
  4. Kasyapa wordt de zoon van Brahma genoemd en is de ‘zelfgeborene’, aan wie een groot deel van het scheppingswerk wordt toegeschreven. Hij is een van de zeven rishi’s; exoterisch de zoon van Marichi, de zoon van Brahma; terwijl de Atharva-veda zegt: ‘De zelfgeboren Kasyapa kwam voort uit de tijd’; en esoterisch zijn Tijd en Ruimte vormen van de ene onkenbare godheid. Als een aditya is Indra een zoon van Kasyapa, zoals ook Vaivasvata Manu, onze voorvader. In het in de tekst genoemde geval is hij Kasyapa-Aditya, de zon en de zonnegod, uit wie alle ‘kosmische’ demonen, draken (naga’s), slangengoden en danava’s, de reuzen, worden geboren. De betekenis van de hierboven gegeven allegorieën is zuiver sterrenkundig en kosmisch, maar zal dienen om de identiteit van alle te bewijzen.
  5. De exoterische teksten van al dergelijke verhalen vertonen verschillen. In het Mahabharata is Karttikeya, ‘Mars met de zes gezichten’, de zoon van Rudra of Siva, zelfgeboren zonder moeder uit het zaad van Siva, dat in het vuur werd geworpen. Maar Karttikeya wordt in het algemeen Agnibhu, ‘vuurgeborene’, genoemd.
  6. Hiranyaksha is de heerser of koning van het vijfde gebied van Patala, een slangengod.
  7. De Elohim vreesden ook de kennis bij Adam van goed en kwaad en daarom zegt men dat zij hem uit Eden hebben verdreven of geestelijk hebben gedood.
  8. Volgens het verhaal had Taraka (ook Kalabhana genoemd) tengevolge van zijn buitengewone yoga-vermogens alle goddelijke kennis van yoga-vidya en occulte krachten van de goden verkregen, die tegen hem samenspanden. Hier zien we de ‘gehoorzame’ menigte Aartsengelen of lagere goden samenspannen tegen de (toekomstige) gevallen engelen, die door Henoch worden beschuldigd van de grote misdaad alle ‘geheime dingen die in de hemel worden gedaan’ aan de wereld te openbaren. Michaël, Gabriël, Rafaël, Suryal en Uriël klaagden bij de Heer God diegenen van hun broeders aan die, zoals ze zeiden, nieuwsgierig hadden rondgesnuffeld in de goddelijke mysteriën en deze aan de mensen hadden onderwezen; hierdoor ontkwamen zij zelf aan een dergelijke straf. Aan Michaël werd opgedragen de draak te bestrijden, evenals aan Karttikeya, en onder dezelfde omstandigheden. Beiden zijn ‘leiders van de hemelse menigte’, beiden ‘maagden’, beiden ‘leiders van heiligen’, ‘speerdragers’ (saktidhara), enz. Karttikeya is met evenveel zekerheid het origineel van Michaël en Joris, als Indra het prototype is van Karttikeya.
  9. Het ‘leven en het licht’ van de stoffelijke wereld, de vreugde van de zintuigen – niet van de ziel. Apollo is bij uitstek de menselijke god, de god van het emotionele, pronkzuchtige en theatrale kerkritueel, met lichten en muziek.
  10. Zie hfst. xii in de Openbaring, waar de moeder van Apollo wordt vervolgd door die Python, de rode draak, die ook Porphyrion is, de scharlaken of rode titan.
  11. Een ‘god’ die zijn (veronderstelde) eigen werk vervloekt, omdat hij het onvolmaakt heeft geschapen, kan nooit de ene oneindige absolute wijsheid zijn, of hij nu Bel of Jehova wordt genoemd.
  12. Volgens de Indiase allegorie van Tarakamaya, de oorlog tussen de goden en de Asura’s, aangevoerd door Soma (de maan, de koning van de planten), smeedt Visva-Karma, de handwerksman van de goden, evenals Vulcanus (Tubal-Kaïn), hun wapens voor hen.
  13. Wij hebben op een andere plaats al gezegd dat de ‘zwangere vrouw’ uit de Openbaring (xii), Aime, de grote moeder was, of binah, de derde sephiroth, ‘die de naam Jehova heeft’; en de ‘draak’ die tracht haar toekomstige kind (het Heelal) te verslinden, is de draak van de absolute wijsheid – die wijsheid die, omdat zij erkent dat het Heelal en alles erin niet is afgescheiden van het absolute AL, in dat Heelal niets meer ziet dan de grote illusie, mahamaya, en dus de oorzaak van ellende en lijden.
  14. De ‘zeven karshvares van de aarde’ – de zeven sferen van onze planeetketen, de zeven werelden – die ook in de Rig Veda worden genoemd, worden elders uitvoerig besproken. Er zijn zes rajamsi (werelden) boven prithivi – de aarde of ‘deze’ (idam), in tegenstelling tot wat ginds is (de zes bollen op de drie andere gebieden). (Zie Rig Veda, I, 34; III, 56; VII, 104, 11 en V, 60, 6. Zie de paragraaf over chronologie.)
  15. Vers 62, hfst. xvii, ‘Dodenboek’; Anubis is Horus die samensmelt met hem die zonder ogen is.
  16. Deze ‘boze geesten’ kan men in geen geval gelijkstellen met satan of de grote draak. Het zijn de elementalen die door onwetendheid – kosmische en menselijke hartstochten – of Chaos worden voortgebracht of verwekt.
  17. Zie Numeri xxi, 8-9. God beveelt Mozes een koperen slang ‘saraph’ te vervaardigen, bij de aanblik waarvan degenen die door de vurige slangen zijn gebeten, genezen. De laatstgenoemde waren de seraphim, waarvan elke ‘zes vleugels had’, zoals Jesaja zegt (vi, 2); het zijn de symbolen van Jehova en van alle andere Demiurgen die uit zichzelf zes zonen of gelijkenissen voortbrengen – zeven samen met hun schepper. Zo is de koperen slang inderdaad Jehova, het hoofd van de ‘vurige slangen’. En toch wordt in 2 Koningen xviii gezegd dat koning Hizkia, die evenals David, zijn vader, ‘deed wat goed was in de ogen van de Heer’, ‘de koperen slang die Mozes had gemaakt, in stukken brak . . . en deze nehushtan’, of een stuk koper, noemde.
  18. En satan stond op tegen Israël en bracht David ertoe Israël te tellen (1 Kronieken xxi, l). ‘De toorn van de Heer Jehova ontstak tegen Israël’ en hij bracht David ertoe te zeggen: ‘Ga, tel Israël’ (2 Samuel xxiv, l). De twee teksten zijn dus identiek.
  19. Tientallen zeer geleerde schrijvers hebben de verschillende betekenissen van de naam J’hovah (met en zonder masoretische punten) met hun uiteenlopende strekking zorgvuldig doorgenomen en verduidelijkt. Het beste boek op dat gebied is de ‘Source of Measures, the Hebrew Egyptian Mystery’.
  20. In het bovengenoemde boek (blz. 233, App.) wordt vers 26 van het 4de hoofdstuk van Genesis juist vertaald, ‘toen begonnen de mensen zich Jehova te noemen’, maar misschien minder goed uitgelegd, omdat het laatste woord behoort te worden geschreven als Jah (mannelijk) Hovah (vrouwelijk), om te laten zien dat in die tijd het ras van duidelijk gescheiden mannen en vrouwen begon.
  21. Voor een verklaring zie de voortreffelijke bladzijden van aanhangsel vii van hetzelfde boek.
  22. In de demonologie is satan de leider van de oppositie in de hel, waarvan Beëlzebub de vorst was. Hij behoort tot de vijfde soort of klasse van demonen (waarvan er volgens de middeleeuwse demonologie negen zijn) en hij staat aan het hoofd van heksen en tovenaars. Maar zie in de tekst de ware betekenis van Baphomet, de satan met de geitenkop, die één is met Azazel, de zondebok van Israël. De Natuur is de god PAN.
  23. Zie voor verdere details over de satan-mythe Afdeling II (in dit deel) over de symboliek.

De Geheime Leer 2:427-40

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag