STANZA 11


DE BESCHAVING EN DE VERNIETIGING VAN HET VIERDE EN VIJFDE RAS


     § (43) De Lemuro-Atlantiërs bouwen steden en verbreiden de beschaving. Het beginstadium van het antropomorfisme. (44) Hun standbeelden, getuigen van de grootte van de Lemuro-Atlantiërs. (45) Lemurië verwoest door vuur, Atlantis door water. De vloed. (46) De vernietiging van het vierde Ras en van de laatste voordiluviaanse monsterdieren.


      43. ZIJ (de Lemuriërs) BOUWDEN REUSACHTIGE STEDEN. VAN ZELDZAME AARDSOORTEN EN METALEN BOUWDEN ZIJ. UIT DE UITGEBRAAKTE VUREN (lava), UIT DE WITTE STEEN VAN DE BERGEN (marmer) EN UIT DE ZWARTE STEEN (van de onderaardse vuren) HAKTEN ZIJ HUN EIGEN BEELDEN, NAAR HUN GROOTTE EN GELIJKENIS, EN AANBADEN ZE (a).


   (a) Terwijl de geschiedenis van de eerste twee mensenrassen – het laatste van de Lemuriërs en het eerste van de toekomstige Atlantiërs – voortschrijdt, moeten we deze twee op dit punt samen nemen en een tijdlang over hen gezamenlijk spreken.
    Hier wordt ook verwezen naar de goddelijke dynastieën die, zoals de Egyptenaren, Chaldeeën, Grieken, enz. beweren, aan hun menselijke koningen zijn voorafgegaan; de tegenwoordige hindoes geloven nog steeds in hen en zij worden in hun heilige boeken opgenoemd. Maar deze zullen we op de daarvoor geschikte plaats bespreken. We moeten nog bewijzen dat onze hedendaagse geologen nu worden gedwongen het onbetwistbare bestaan van verzonken continenten te erkennen. Maar hun bestaan erkennen is niet hetzelfde als aanvaarden dat daar tijdens de eerste geologische tijdperken mensen leefden1; ja, mensen en beschaafde volkeren, niet alleen paleolithische wilden; die onder leiding van hun goddelijke heersers grote steden bouwden, kunsten en wetenschappen beoefenden en tot in de perfectie bekend waren met de sterrenkunde, de bouwkunst en de wiskunde. Deze oorspronkelijke beschaving volgde niet onmiddellijk op hun fysiologische verandering, zoals men misschien zou denken. Tussen de uiteindelijke evolutie en de eerste stad die werd gebouwd, waren vele honderdduizenden jaren voorbijgegaan. Toch bouwden de Lemuriërs in hun zesde onderras hun eerste rotssteden uit steen en lava2. Een van deze grote steden met een primitieve structuur was geheel van lava gebouwd, ongeveer dertig mijl ten westen van de plaats waar zich nu het smalle stuk onvruchtbare grond van het Paaseiland uitstrekt, en werd door een reeks vulkanische uitbarstingen volledig verwoest. De oudste overblijfselen van cyclopische gebouwen waren alle het werk van de Lemuriërs van de laatste onderrassen; en een occultist toont daarom geen verbazing als hij hoort dat de stenen overblijfselen die werden gevonden op de kleine strook land die door kapitein Cook het Paaseiland werd genoemd, ‘sterk overeenkomen met de muren van de tempel van Pachacamac of de ruïnes van Tia-Huanuco in Peru’, (Robert Brown, ‘The Countries of the World’, Deel 4, blz. 43) en dat zij in CYCLOPISCHE STIJL zijn gebouwd. De eerste grote steden verschenen echter in dat gebied van het continent dat nu bekendstaat als het eiland Madagascar. Er waren in die tijd beschaafde mensen en wilden, evenals nu. De evolutie volbracht haar werk van vervolmaking bij de eerstgenoemden en karma verrichtte zijn vernietigingswerk bij de laatsten. De Australiërs en verwante stammen zijn de afstammelingen van diegenen die, in plaats van de vonk te bezielen die de ‘vlammen’ in hen lieten vallen, deze uitdoofden door generaties van bestialiteiten3. De Arische volkeren konden hun afstamming via de Atlantiërs volgen tot de meer geestelijke rassen van de Lemuriërs, in wie de ‘zonen van wijsheid’ persoonlijk waren geïncarneerd4.
    Met de komst van de goddelijke dynastieën begonnen de eerste beschavingen. En terwijl in sommige gebieden van de aarde een deel van de mensheid er de voorkeur aan gaf een nomadisch en patriarchaal leven te leiden, en in andere gebieden de wilde ternauwernood had geleerd een vuur aan te leggen en zich tegen de elementen te beschermen, bouwden zijn broeders – door hun karma meer begunstigd dan hij en geholpen door de goddelijke intelligentie die hen bezielde – steden en ontwikkelden kunsten en wetenschappen. Terwijl hun herderlijke broeders wonderbaarlijke vermogens als hun geboorterecht genoten, konden de bouwers, ondanks hun beschaving, hun vermogens toch slechts geleidelijk verkrijgen; zelfs deze werden in het algemeen gebruikt om macht over de stoffelijke natuur uit te oefenen en voor zelfzuchtige, onheilige doeleinden. De beschaving heeft altijd het stoffelijke en verstandelijke ontwikkeld ten koste van het psychische en geestelijke. De beheersing van en de leiding over zijn eigen psychische natuur, die dwaze mensen nu in verband brengen met het bovennatuurlijke, waren de eerste mensheid aangeboren en waren voor de mens even natuurlijk als lopen en denken. ‘Er bestaat niet zoiets als magie’, filosofeert ‘SHE’, waarbij de schrijver vergeet dat ‘magie’ in haar jeugd nog de grote WETENSCHAP VAN DE WIJSHEID betekende en dat Ayesha onmogelijk iets kon weten over de hedendaagse ontaarding van het denken – ‘hoewel er zoiets is als kennis van de geheimen van de Natuur’ (blz. 152). Maar deze zijn pas in ons ras ‘geheimen’ geworden, en waren algemeen bezit bij het derde.
   Geleidelijk werd de mens kleiner van gestalte, want zelfs vóór de werkelijke komst van het vierde of Atlantische Ras was de meerderheid van de mensheid vervallen tot ongerechtigheid en zonde, behalve de hiërarchie van de ‘uitverkorenen’, de volgelingen en leerlingen van de ‘zonen van wil en yoga’ – die later de ‘zonen van de vuurnevel’ werden genoemd.
   Toen kwamen de Atlantiërs; de reuzen van wie de lichamelijke schoonheid en kracht overeenkomstig de evolutiewet hun hoogtepunt bereikten tegen de middenperiode van hun vierde onderras. Maar zoals in de Toelichting wordt gezegd:
    De laatste overlevenden van het mooie kind van het Witte Eiland (het oorspronkelijke Sveta-dvipa) waren eeuwen daarvóór omgekomen. Hun uitverkorenen (van Lemurië) hadden een schuilplaats gevonden op het heilige eiland (nu het ‘legendarische’ Shamballah in de Gobi-woestijn), terwijl sommige van hun vervloekte rassen, die zich van de hoofdstam hadden gescheiden, nu woonden in de oerwouden en onder de grond (‘holbewoners’), toen het goudgele ras (het vierde) op zijn beurt ‘zwart van zonde’ werd. Van pool tot pool had de aarde haar uiterlijk voor de derde keer veranderd, en werd niet langer bewoond door de zonen van Sveta-dvipa, de gezegenden, en Adbhitanya, oost en west, het eerste, het ene en het zuivere, was verdorven geraakt . . . De halfgoden van het derde Ras hadden plaatsgemaakt voor de halfdemonen van het vierde. Sveta-dvipa, waarvan de noordelijke gedeelten van het Toyambudhi volgens de exoterische overlevering waren bezocht door de zeven kumara’s (Sanaka, Sananda, Sanatana, Sanatkumara, Jata, Vodhu en Panchasikha) (zie de Uttara Khanda van het Padma Purana; ook Asiat. Researches, Deel XI, blz. 99, 100); het Witte Eiland had haar gezicht gesluierd. Haar kinderen woonden nu op het Zwarte land, waarin later daitya’s van het zevende dvipa (pushkara) en rakshasa’s van het zevende klimaat de saddhu’s en de asceten van het derde tijdperk vervingen, die ‘tot hen waren neergedaald uit andere en hogere gebieden’ . . .
   Het is duidelijk dat, als men de Purana’s naar de dode letter opvat, zij lijken op een absurd weefsel van sprookjes en anders niet. Maar als men de hoofdstukken I, II en III van Boek II (Deel II) van het Vishnu Purana leest en de geografie, geodesie en etnologie ervan in het verhaal van de zeven zonen van Priyavrata, onder wie de vader de zeven dvipa’s (continentale eilanden) verdeelt, letterlijk aanvaardt; en dan verneemt hoe de oudste zoon Agnidhra, de koning van Jambu-dvipa, dat rijk onder zijn negen zoons verdeelde; en verder hoe Nabhi, zijn zoon, die honderd zonen had en al dezen op zijn beurt iets toedeelde – dan zal de lezer het boek waarschijnlijk weggooien en het voor een samenraapsel van onzin uitmaken. Maar de beoefenaar van de esoterie zal begrijpen, dat de werkelijke betekenis in de tijd toen de Purana’s werden geschreven, alleen duidelijk was aan de ingewijde brahmanen, die deze boeken op allegorische manier schreven en de grote massa niet de hele waarheid wilden geven. En hij zal aan de oriëntalisten die er, te beginnen bij kolonel Wilford en eindigend bij professor Weber, zo’n warboel van maakten en nog steeds maken, uitleggen dat de eerste drie hoofdstukken (zie de vertaling door Wilson van het Vishnu Purana, Deel II e.v.) met opzet de volgende onderwerpen en gebeurtenissen verwarren:
   I. Met de juiste opeenvolging van de kalpa’s of eeuwen (ook van de rassen) wordt nooit rekening gehouden; bijvoorbeeld laat men gebeurtenissen die in de ene plaatsvonden, optreden naast die uit een andere. De chronologische volgorde wordt volledig genegeerd. Dit wordt aangetoond door verschillende Sanskrietcommentatoren, die de onverenigbaarheid van gebeurtenissen en berekeningen verklaren door te zeggen: ‘Telkens wanneer er in verschillende Purana’s tegenstrijdigheden worden opgemerkt, worden zij toegeschreven . . . aan verschillen in de kalpa’s en dergelijke’ (Vishnu en Bhagavata Purana’s).
   II. De diverse betekenissen van de woorden ‘manvantara’ en ‘kalpa’ of eeuw worden achtergehouden en alleen de algemene betekenis wordt gegeven.
   III. In de stambomen van de koningen en de geografie van hun varsha’s (landen) en dvipa’s, worden deze alle voorgesteld als aardse gebieden.
   De waarheid is nu, zonder al te veel op details in te gaan, dat het gemakkelijk en geoorloofd is het volgende mee te delen:

   (a) De zeven dvipa’s die aan het zevenvoudige nageslacht van Priyavrata worden toegewezen, hebben betrekking op verschillende plaatsen: in de eerste plaats op onze planeetketen. Jambu-dvipa alleen stelt onze bol voor, de zes andere zijn de (voor ons) onzichtbare medebollen van deze aarde. Dit wordt aangetoond door de aard zelf van de allegorische en symbolische beschrijvingen. Jambu (dvipa) ‘is in het centrum van al deze (de zogenaamde eilandcontinenten) en wordt omringd’ door een zee van zout water (lavana), terwijl Plaksha, Salmalia, Kusa, Krauncha, Saka en Pushkara ‘elk voor zich zijn omringd – door grote zeeën van suikerrietsap, van wijn, van gezuiverde boter, van stremsel, van melk’, enz., en dergelijke metaforische namen. (Hfst. II, Deel II.) Dit wordt verder aangetoond door:

   (b) Bhaskara Acharya, die bij zijn beschrijving van de siderische plaats van al deze dvipa’s uitdrukkingen gebruikt uit de Geheime Leer en haar boeken: ‘de zee van melk en de zee van stremsel’, enz. betekent de Melkweg en de verschillende opeenhopingen van de nevelvlekken; te meer, omdat hij ‘het land ten zuiden van de evenaar Bhur-loka noemt en dat ten noorden ervan Bhuva-loka, Svar-, Mahar-, Jana-, Tapo- en Satya-loka’; en zegt: ‘Die loka’s worden geleidelijk bereikt door middel van het vergroten van religieuze verdiensten’, d.w.z. het zijn verschillende paradijzen. (Zie Bibliotheca Indica. Vert. van de Goladhyaya van de Siddhanta-siromani III, 21-44.)

   (c) In de teksten zelf wordt door de verteller van het Vishnu Purana verklaard dat deze geografische verdeling van de zeven allegorische continenten, eilanden, bergen, zeeën en landen niet alleen tot onze Ronde of zelfs tot onze rassen behoort (ondanks de naam Bharata Varsha, d.i. India). Want hij besluit het eerste hoofdstuk met te zeggen: ‘Bharata (de zoon van Nabhi, die zijn naam gaf aan Bharata-Varsha of India) droeg zijn koninkrijk over aan zijn zoon Sumati . . . en eindigde zijn leven in Salagrama. Later werd hij herboren als religieus brahmaan in een voorname familie van asceten . . . onder deze vorsten (nakomelingen van Bharata) werd Bharata Varsha in negen stukken verdeeld, en hun nakomelingen hielden achtereenvolgens het land in bezit tijdens eenenzeventig perioden van het geheel van de vier tijdperken’, of de regering van een Manu, die overeenkomt met een mahayuga van 4.320.000 jaar.
   Maar nadat hij dit heeft gezegd, verklaart Parasara plotseling dat ‘dit de schepping van Svayambhuva Manu was, waardoor de aarde werd bevolkt toen hij heerste over het eerste manvantara, in de kalpa van Varaha’, d.i. de everzwijn-incarnatie of Avatar. Nu weet elke brahmaan dat onze mensheid pas met Vaivasvata Manu op deze aarde (of Ronde) begon. En als de westerse lezer het hoofdstuk over ‘De oorspronkelijke Manu’s van de mensheid’ raadpleegt, zal hij zien dat Vaivasvata de zevende van de veertien Manu’s is die heersen over onze planeetketen tijdens haar levenscyclus: d.w.z. dat, omdat hij in elke Ronde twee Manu’s van dezelfde naam (een wortel- en een zaadmanu) vertegenwoordigt en weergeeft, hij de wortelmanu van de vierde Ronde is en dus de zevende. Wilson ziet hierin alleen ‘een tegenstrijdigheid’ (zie zijn Vishnu Purana, deel II, blz. 108, voetnoot) en veronderstelt dat ‘de stambomen van de aartsvaders ouder zijn dan het chronologische stelsel van manvantara’s en kalpa’s’ en dus ‘nogal onbeholpen over de verschillende perioden zijn verdeeld’. Dit is volstrekt onjuist. Maar omdat de oriëntalisten niets weten over de geheime leer, vatten ze alles letterlijk op en keren zich dan tegen de schrijvers van wat ze niet begrijpen, en beledigen deze!
   Deze stambomen omvatten een periode van drie en een halve Ronde; zij spreken over voor-menselijke tijdperken en verklaren het vervallen tot voortbrenging van elke Manu – de eerste gemanifesteerde vonken van de ENE Eenheid – en laten verder zien dat elk van deze menselijke vonken zich verdeelt en vermenigvuldigt, eerst door de pitars, de menselijke voorouders, en vervolgens door de mensenrassen. Geen enkel wezen kan god of deva worden, tenzij hij door de menselijke cyclussen is heengegaan. Daarom zegt de sloka: ‘Gelukkig zijn zij die, zelfs vanuit de (latente) toestand van goden, in Bharata-varsha als mensen worden geboren; want dat is de weg tot . . . uiteindelijke bevrijding.’ In Jambu-dvipa wordt Bharata beschouwd als de beste van zijn afdelingen, omdat HET HET LAND VAN DE WERKEN IS. Alleen in dat land ‘vindt de opeenvolging van de vier yuga’s (tijdperken), het krita, het treta, het dvapara en het kali plaats’. Wanneer dus Parasara naar aanleiding van de vraag van Maitreya ‘hem de beschrijvingen van de aarde te geven’, nogmaals de opsomming geeft van dezelfde dvipa’s met dezelfde zeeën, enz., die hij in het Svayambhuva manvantara had beschreven – dan is dat eenvoudig een sluier. Toch zijn voor degene die tussen de regels leest, de vier grote Rassen en het vijfde aanwezig, ja zelfs met hun onderverdelingen, eilanden en continenten, waarvan sommige werden aangeduid met de namen van hemelse loka’s en met die van andere bollen. Vandaar de verwarring.
   Al deze eilanden en landen worden door de oriëntalisten ‘mythisch’ en ‘fabelachtig’ genoemd5. Inderdaad zijn sommige ervan niet van deze aarde, maar toch bestaan ze. Het ‘Witte Eiland’ en Atala zijn in ieder geval geen mythen, want dit laatste was de naam die door de eerste pioniers van het vijfde Ras minachtend werd gebruikt voor het land van de zonde – Atlantis in het algemeen, niet alleen het eiland van Plato – en het eerstgenoemde was (a) het Sveta-dvipa van de theogonie en (b) Saka-dvipa of het begin (de oudste gedeelten) van Atlantis. Dit was toen het nog zijn ‘zeven heilige rivieren’ had ‘die alle zonden wegwasten’ en zijn ‘zeven districten, waarin geen verwaarlozing van de deugd, geen strijd, geen afwijking van deugd was’, omdat het toen werd bewoond door de kaste van de Maga’s – die kaste die zelfs door de brahmanen niet lager werd geacht dan hun eigen kaste – en die de bakermat was van de eerste Zaratushta. Over de brahmanen vertelt men dat zij op advies van Narada, Gauramukha raadpleegden, die hun zei de Maga’s uit te nodigen priesters van de zon te worden in de tempel, gebouwd door Samba (de veronderstelde) zoon van Krishna, die er in werkelijkheid geen had. Hierin zijn de Purana’s historisch – ondanks de allegorie – en geeft het occultisme feiten.
   De hele geschiedenis wordt in het Bhavishya Purana verteld. Er staat dat Samba, nadat hij door Surya (de zon) was genezen van melaatsheid, en een tempel had gebouwd die aan de zon was gewijd, vrome brahmanen zocht om daarin de vastgestelde riten te vervullen en de aan de god gebrachte geschenken in ontvangst te nemen. Maar Narada (de maagdelijke asceet die men in alle tijdperken in de Purana’s aantreft) raadde hem aan dat niet te doen, omdat de brahmanen door Manu was verboden vergoedingen in ontvangst te nemen voor het vervullen van religieuze riten. Hij verwees Samba daarom naar Gauramukha (wit gezicht), de purohita of familiepriester van Ugrasena, koning van Mathura, die hem zou meedelen wie hij het best kon aanstellen. De priester adviseerde Samba de Maga’s, de vereerders van Surya, uit te nodigen deze plicht te vervullen. Maar omdat hij hun woonplaats niet kende, wijst Surya, de zon zelf, Samba de weg naar Sakadvipa, voorbij het zoute water. Daarna volbrengt Samba de reis, waarbij hij gebruikmaakt van Garuda (de grote vogel, het voertuig van Vishnu en Krishna), die hem bij de Maga’s afzet, enz.
   Nu laten Krishna, die 5000 jaar geleden leefde, en Narada, die in elke cyclus (of elk ras) wordt wedergeboren, en ook Garuda – esoterisch het symbool van de grote cyclus – de allegorie zien; maar toch zijn de Maga’s de magiërs van Chaldea, en hun klasse en eredienst ontstonden in het oude Atlantis, in Saka-dvipa, het Zondeloze. Alle oriëntalisten zijn het erover eens dat de Maga’s van Saka-dvipa de voorvaderen van de vuuraanbiddende parsi’s zijn. Ons meningsverschil met hen berust zoals gewoonlijk op het feit dat zij deze keer honderdduizenden jaren terugbrengen tot een paar eeuwen: zij plaatsen de gebeurtenis – ondanks Narada en Samba – in de tijd van de vlucht van de parsi’s naar Gujarat, wat eenvoudig onzin is, omdat die plaatshad in de VIIIste eeuw van onze tijd. Hoewel volgens het Bhavishya Purana de Maga’s in de tijd van de zoon van Krishna nog steeds in Saka-dvipa woonden, was toch het laatste gedeelte daarvan – het ‘Atlantis’ van Plato – 6000 jaar daarvoor ondergegaan. Zij waren Mag ‘vroeger van’ Saka-dvipa, en leefden in die tijd in Chaldea. Dit is weer een opzettelijke verwarring.
   De eerste pioniers van het vierde Ras waren geen Atlantiërs en ook nog niet de menselijke asura’s en rakshasa’s die zij later werden. In die tijd maakten grote gedeelten van het toekomstige continent Atlantis nog deel uit van de oceaanbodem. ‘Lemurië’, zoals wij het continent van het derde Ras hebben genoemd, was toen een reusachtig land6. Het nam het hele gebied vanaf de voet van de Himalaja in beslag, die het scheidde van de binnenzee, waarvan de golven stroomden over wat nu Tibet, Mongolië en de grote Shamo- (Gobi-) woestijn is; van Chittagong westwaarts tot Hardwar en naar het oosten tot Assam. Vandaar strekte het zich uit naar het zuiden over wat wij kennen als Zuid-India, Ceylon en Sumatra; dan omvatte het op zijn weg naar het zuiden Madagascar aan de rechterkant en Australië en Tasmanië aan de linkerkant en liep door tot enkele graden van de zuidelijke poolcirkel; dan strekte het zich van Australië, in die tijd een binnengebied van het moedercontinent, ver in de Stille Oceaan uit, tot voorbij Rapa-nui (Teapy, of Paaseiland), dat nu op 26° zuiderbreedte en 110° westerlengte ligt. (Zie Aanhangsel bij dit Deel II, hoofdstuk: ‘Bewijzen voor de verzonken continenten’.) Deze bewering schijnt door de wetenschap – al is het maar gedeeltelijk – te worden bevestigd; want bij het bespreken van de richting waarin de continenten zich uitstrekken, waarbij bleek dat de landmassa’s beneden de noordpool zich in het algemeen langs de meridiaan uitstrekken, worden gewoonlijk verschillende oude continenten genoemd, hoewel alleen impliciet. Men spreekt in dit verband over het ‘Mascareense continent’, dat Madagascar omvatte en zich vandaar naar het noorden en het zuiden uitstrekte, men noemt een ander oud continent dat liep ‘van Spitsbergen naar het Nauw van Calais, toen de meeste andere delen van Europa nog zeebodem waren’7. Dit bevestigt dus de occulte leer, die zegt dat de (tegenwoordige) poolgebieden de eerste van de zeven bakermatten van de mensheid waren, en het graf van het grootste deel van de mensheid van dat gebied tijdens het derde Ras, toen het reusachtige continent van Lemurië zich in kleinere stukken begon op te delen. Volgens de uitleg in de Toelichting werd dit veroorzaakt door het afnemen van de omwentelingssnelheid van de aarde:
   ‘Wanneer het wiel met de gebruikelijke snelheid draait, zijn de uiteinden ervan (de polen) met de middencirkel (de evenaar) in evenwicht; wanneer het langzamer draait en naar alle kanten wankelt, zijn er grote verstoringen aan het aardoppervlak. De wateren stromen naar de beide uiteinden en nieuwe landen verrijzen in de middengordel (landen op de evenaar), terwijl die aan de uiteinden onderworpen zijn aan pralaya’s door verzinken. . . .’
   En verder:
   . . . ‘Zo is het wiel (de aarde) onderworpen aan en wordt het geregeld door de geest van de maan, voor wat de adem van zijn wateren (de getijden) betreft. Tegen het einde van het tijdperk (de kalpa) van een groot (wortel)ras beginnen de bestuurders van de maan (de pitar-vaderen of pitri’s) harder te trekken, en maken zo het wiel rondom zijn gordel platter, terwijl het op sommige plaatsen inzakt en op andere opzwelt. En wanneer de zwelling zich naar de uiteinden (de polen) beweegt, zullen nieuwe landen verrijzen en oude worden opgeslokt.
   We hoeven slechts boeken over sterrenkunde en geologie te lezen om heel duidelijk de betekenis van het bovenstaande in te zien. Geleerden (hedendaagse specialisten) hebben de invloed vastgesteld van de getijden op de geologische verdeling van land en water op de planeten, en de verplaatsing van de oceanen met een daarmee gepaard gaand dalen en rijzen van continenten en nieuwe landen. De wetenschap weet, of denkt te weten, dat dit periodiek gebeurt8. Professor Todd gelooft dat hij de reeks schommelingen kan terugvoeren tot de periode van de eerste korstvorming van de aarde. (Zie ‘American Naturalist’, XVIII, 15 e.v.); daarom schijnt het gemakkelijk voor de wetenschap om de esoterische beweringen te verifiëren. Wij stellen ons voor dit in het Aanhangsel uitvoeriger te behandelen. (Zie § V en § VI)
   Sommige theosofen stellen de vraag: ‘Hoe zal Atlantis eruitzien wanneer het is verrezen?’ Zij hebben namelijk uit enkele woorden in ‘Esoteric Buddhism’ begrepen dat ‘oude continenten’ die zijn verzonken, weer zullen verschijnen. Hier bestaat weer een kleine misvatting. Indien precies dezelfde landen van Atlantis zouden herrijzen die waren verzonken, dan zouden zij inderdaad eeuwenlang onvruchtbaar zijn.     Dat de Atlantische zeebodem nu is bedekt met een krijtlaag van ongeveer 5000 voet, en er nog meer wordt gevormd – in feite een nieuwe ‘krijtformatie’ van lagen – is geen reden waarom, als de tijd voor het verschijnen van een nieuw continent is aangebroken, een geologische beroering en verheffing van de zeebodem deze 5000 voet krijt niet uit de weg zou ruimen voor het vormen van enkele bergen en niet nog 5000 meer aan de oppervlakte zou laten komen. De raciale rampen zijn geen zondvloed van Noach van veertig dagen – een soort Bombaymoesson.
   Dat het periodieke verzinken en weer tevoorschijn komen van de machtige continenten die door de hedendaagse schrijvers Atlantis en Lemurië worden genoemd, geen verzonnen verhaal is, zal worden aangetoond in het hoofdstuk waarin alle bewijzen daarvoor zijn bijeengebracht. De meest archaïsche Sanskriet- en Tamilgeschriften wemelen van toespelingen op beide continenten. De zeven heilige eilanden (dvipa’s) worden genoemd in de Surya Siddhanta, het oudste sterrenkundeboek op de hele wereld, en in de boeken van Asura Maya, de Atlantische sterrenkundige, die volgens professor Weber in Ptolemaeus was gereïncarneerd. Toch is het een vergissing om deze ‘heilige eilanden’ Atlantisch te noemen – zoals wij hebben gedaan; want evenals al het andere in de heilige boeken van de hindoes, kan men ze op verschillende dingen laten slaan. Het erfstuk dat door Priyavrata, de zoon van Svayambhuva Manu, aan zijn zeven zonen werd nagelaten, was niet Atlantis, zelfs al hebben een paar van deze eilanden het verzinken van hun lotgenoten overleefd en eeuwen later onderdak geboden aan de Atlantiërs, van wie het continent op zijn beurt was verzonken. Als de zeven voor het eerst door Parasara (Vishnu Purana) worden genoemd, hebben ze betrekking op een esoterische lering die verderop wordt verklaard. Van alle zeven eilanden is Jambu-dvipa het enige dat aards is, want het is onze bol. Elke verwijzing in de Purana’s naar het noorden van Meru staat in verband met dat oorspronkelijke Eldorado, dat nu het noordpoolgebied is; dat een continent was toen de magnolia bloeide waar wij nu een nog niet onderzochte eindeloze ijswoestijn zien. De wetenschap spreekt over een oud continent dat zich uitstrekte van Spitsbergen tot het Nauw van Calais. De Geheime Leer verkondigt dat deze gebieden in de vroegste geologische tijdperken een hoefijzervormig continent vormden, waarvan het ene eind, het oostelijke, dat veel noordelijker dan Noord-Cornwallis lag, Groenland omvatte, en het andere de Beringstraat als een stuk binnenland omsloot en in zijn natuurlijke beloop zuidwaarts omboog en zich tot aan de Britse eilanden uitstrekte, die in die tijd precies onder de onderste boog van de halve cirkel moeten hebben gelegen. Dit continent verhief zich tegelijkertijd met het verzinken van de equatoriale gedeelten van Lemurië. Eeuwen later verschenen enkele van de Lemurische overblijfselen opnieuw aan het oppervlak van de oceanen. Daarom moet men – hoewel men zonder van de waarheid af te wijken kan zeggen dat Atlantis behoort tot de zeven grote eilandcontinenten, omdat de Atlantiërs van het vierde Ras enkele Lemurische overblijfselen kregen en door zich op die eilanden te vestigen, deze bij hun landen en continenten opnamen – toch een verschil maken en een verklaring geven, zodra men probeert een vollediger en nauwkeuriger verhaal op te stellen, zoals in dit boek. Sommige Atlantiërs hebben op deze manier ook bezit genomen van Paaseiland; zij waren ontsnapt aan de ramp die hun eigen land overkwam en vestigden zich op dat overblijfsel van Lemurië, maar alleen om daar om te komen toen het in één dag door vulkanisch vuur en lava werd vernietigd. Bepaalde geografen en geologen vatten dat misschien op als een verzinsel; voor de occultisten is het geschiedenis. Wat weet de wetenschap ertegenin te brengen? ‘Vóór er een kaart verscheen, uitgegeven in Basel in 1522, waarop de naam Amerika voor het eerst voorkomt, geloofde men dat dit land een deel van India was . . . De wetenschap weigert ook de wilde hypothese te aanvaarden, dat er een tijd was waarin het schiereiland van India aan de ene kant van de lijn, en Zuid-Amerika aan de andere kant, waren verbonden door een gordel van eilanden en continenten. Het India van de voorhistorische tijden . . . was op twee manieren met de twee Amerika’s verbonden. De landen van de voorouders van hen, die Ammianus Marcellinus de ‘brahmanen van Boven-India’ noemt, strekten zich uit van Kashmir tot ver in de (tegenwoordige) woestijnen van Shamo. Een voetganger uit het noorden kon toen – vrijwel zonder zijn voeten nat te maken – het schiereiland Alaska bereiken, door Mantsjoerije heen, over de toekomstige Golf van Tartarije, de Koerilen en Aleoeten; terwijl een andere reiziger, in het bezit van een kano, die in het zuiden begon, van Siam uit lopend via de Polynesische eilanden zich naar ieder deel van het Zuidamerikaanse continent kon begeven.’ (Maar zie ‘Five Years of Theosophy’, het artikel ‘Leaflets from Esoteric History’, blz. 338 en 340.) Dit is ontleend aan de woorden van een MEESTER – voor de materialisten en sceptici een nogal twijfelachtige autoriteit. Maar hier hebben we iemand uit hun eigen groep, een vogel van dezelfde pluimage – Ernst Haeckel, die bij zijn verspreiding van de rassen deze bewering bijna letterlijk bevestigt . . . ‘Het schijnt dat het gebied op het aardoppervlak waar de evolutie van deze oorspronkelijke mensen uit de NAUW VERWANTE SMALNEUSAPEN (!!) plaatsvond, moet worden gezocht in Zuid-Azië of in Oost-Afrika [dat tussen haakjes zelfs nog niet bestond toen het derde Ras zijn bloeitijd had – H.P.B.] of in Lemurië. Lemurië is een oud continent dat nu in de wateren van de Indische Oceaan is verzonken en dat ten zuiden van het huidige Azië lag en zich uitstrekte, enerzijds in oostelijke richting tot Boven-India en de Soenda-eilanden, en anderzijds naar het westen tot Madagascar en Afrika.’ (Zie boven; vgl. ‘The Pedigree of Man’, blz. 80-81.)
   In het tijdperk dat we nu behandelen, was het continent ‘Lemurië’ al op veel plaatsen verbrokkeld en hadden zich nieuwe afzonderlijke continenten gevormd. Maar er bestond toen nog geen Afrika en geen Amerika en beslist geen Europa; deze sluimerden alle nog op de oceaanbodem. Ook was er nog niet veel van het huidige Azië; want de gebieden aan deze kant van de Himalaja waren bedekt met zeeën, en daarachter strekten zich de ‘lotusbladeren’ van Sveta-dvipa uit, de landen die nu Groenland, Oost- en West-Siberië, enz. worden genoemd. Het enorme continent dat eens de opperheerschappij had gevoerd over de Indische, de Atlantische en de Grote Oceaan, bestond nu uit reusachtige eilanden die geleidelijk, het ene na het andere, verdwenen totdat de laatste stuiptrekking alle overblijfselen ervan verzwolg. Het Paaseiland bijvoorbeeld behoort tot de vroegste beschaving van het derde Ras. Nadat het met de rest was verzonken, liet een plotseling vulkanisch oprijzen van de oceaanbodem het kleine overblijfsel van de archaïsche tijden met zijn vulkaan en zijn standbeelden onaangetast weer bovenkomen in het Champlain tijdperk van de noordpooloverstroming, als een blijvende getuige van het bestaan van Lemurië. Men zegt dat sommige Australische stammen de laatste overblijfselen zijn van de laatste afstammelingen van het derde Ras.
   Ook dit wordt gedeeltelijk bevestigd door de materialistische wetenschap. Bij het bespreken van het bruine of Maleise ras van Blumenbach en van de Australiërs en Papoea’s merkt Haeckel op: ‘Er is veel overeenkomst tussen deze laatsten en de oorspronkelijke bewoners van Polynesië, die Australische eilandenwereld die eens een reusachtig en doorlopend continent schijnt te zijn geweest.’ (‘Pedigree of Man’, blz. 82. Maar zie de voetnoot hierboven en de Aanhangsels.)
   Dat was beslist zo, want het strekte zich tijdens het derde Ras naar het oosten en het westen uit tot waar nu de twee Amerika’s liggen, en het huidige Australië is er maar een gedeelte van, evenals een paar overgebleven eilanden die hier en daar over het oppervlak van de Grote Oceaan verspreid liggen, en een groot deel van Californië, dat ertoe behoorde. Vreemd genoeg beschouwt Haeckel in zijn fantastische boek ‘Pedigree of Man’, ‘de Australiërs van nu als de rechtstreekse bijna onveranderde (?!) afstammelingen van die tweede tak van het oorspronkelijke mensenras . . . die zich naar het noorden verbreidde, eerst voornamelijk in Azië, vanuit de bakermat van de mens, en die de voorouder schijnt te zijn geweest van alle andere sluikharige mensenrassen . . . Een deel van het ene, kroesharige ras trok naar het westen’ . . . (d.i. naar Afrika en noordelijk naar Nieuw-Guinea, landen die toen zoals gezegd nog niet bestonden) . . . ‘het andere, sluikharige, ras ontwikkelde zich verder naar het noorden in Azië . . . en bevolkte Australië . . .’ (blz. 81). ‘Zie’, schrijft een MEESTER, ‘de overblijfselen van dat eens grote volk (Lemurië van het derde Ras) in sommige plathoofdige oorspronkelijke bewoners van uw Australië’. (‘Esoteric Buddhism’, blz. 65.) Maar zij behoren tot de laatste overblijfselen van het zevende onderras van het derde. Professor Haeckel moet ook hebben gedroomd en voor één keer een echt visioen hebben gehad!
   In deze periode moeten we zoeken naar het eerste verschijnen van de voorouders van diegenen, die wij de oudste volkeren van de wereld noemen – nu respectievelijk enerzijds de Arische Hindoe’s, de Egyptenaren en de oudste Perzen, en anderzijds de Chaldeeën en Feniciërs genaamd. Deze werden bestuurd door de GODDELIJKE DYNASTIEËN, d.i. koningen en heersers die van de sterfelijke mens alleen zijn lichamelijke uiterlijk hadden zoals dat toen was; zij waren echter wezens uit sferen die hoger en hemelser zijn dan onze sfeer pas over lange manvantara’s zal zijn. Het is natuurlijk nutteloos te proberen de waarheid van hun bestaan aan sceptici op te dringen. Hun grootste trots bestaat eruit te bewijzen dat zij behoren tot de familie van de smalneusapen, wat zij proberen aan te tonen op het vermeende gezag van het aan hun os sacrum gehechte stuitbeentje, die rudimentaire staart die zij, als hij maar lang genoeg was, ter ere van de eminente ontdekker ervan voortdurend zouden laten kwispelen van vreugde. Deze sceptici zullen hun aapvoorouders even trouw blijven als christenen hun staartloze Adam. De Geheime Leer echter brengt op dit punt theosofen en beoefenaars van de occulte wetenschappen op de juiste weg.
   Als we het tweede gedeelte van het derde Ras beschouwen als de eerste vertegenwoordigers van het werkelijke mensenras met stevige beenderen, dan is het vermoeden van Haeckel dat ‘de evolutie van de oorspronkelijke mensen plaatsvond . . . in Zuid-Azië of . . . Lemurië’ – van Oost- of West-Afrika is geen sprake – vrijwel, zo niet geheel juist. Om echter nauwkeurig te zijn: op dezelfde manier als waarop de evolutie van het eerste Ras (uit de lichamen van de pitars) in zeven duidelijk gescheiden gebieden aan de noordpool (toen het enige land) plaatsvond zo geschiedde ook de uiteindelijke transformatie van het derde Ras: deze begon in die noordelijke gebieden, waarover enige bladzijden terug is geschreven dat zij de Beringstraat omvatten en wat er toen aan droog land bestond in Midden-Azië, toen het klimaat zelfs in de arctische gebieden subtropisch was en het meest aangepast aan de primaire behoeften van de wordende stoffelijke mens. Dat gebied is echter sinds het verschijnen van de mens meer dan eens afwisselend koud en tropisch geweest. De toelichting zegt ons dat het derde Ras pas ongeveer bij het middenpunt van zijn ontwikkeling stond toen:
   ‘De as van het wiel ging hellen. De zon en de maan schenen niet langer boven de hoofden van dat deel van de ZWEETGEBORENEN; de mensen kenden sneeuw, ijs en vorst en mensen, planten en dieren werden belemmerd in hun groei. Zij die niet omkwamen, BLEVEN WAT OMVANG EN VERSTAND BETREFT ALS HALFVOLGROEIDE KINDEREN9. Dit was het derde pralaya van de rassen10.’
   Dit betekent weer dat onze bol zeven periodieke totale veranderingen moet doormaken die gelijktijdig verlopen met de rassen. Want de Geheime Leer zegt dat er in deze Ronde zeven aardse pralaya’s moeten zijn, waarvan er drie worden teweeggebracht door de verandering in de helling van de aardas. Dit is een wet die op de daarvoor vastgestelde tijd werkt en volstrekt niet blindelings, zoals de wetenschap misschien denkt, maar in strikte overeenstemming en harmonie met de karmische wet. In het occultisme wordt deze onverbiddelijke wet aangeduid als ‘de grote VEREFFENAAR’. De wetenschap erkent haar onwetendheid over de oorzaak van klimaatwisselingen en van de veranderingen in de richting van de aardas, waarop altijd deze wisselingen volgen; ook schijnt zij van die veranderingen van de aardas niet zo zeker te zijn. En omdat zij niet in staat is deze te verklaren, is zij geneigd liever de verschijnselen rond de aardas helemaal te ontkennen, dan het bestaan toe te geven van de intelligente hand en wet van karma, want alleen die kan een redelijke verklaring geven voor zulke plotselinge veranderingen en hun gevolgen. Zij heeft geprobeerd hiervoor een verklaring te geven door middel van verschillende min of meer fantastische speculaties; één daarvan zou de plotselinge en even denkbeeldige botsing zijn van onze aarde met een komeet (de hypothese van De Boucheporn), als oorzaak van alle geologische veranderingen. Maar wij houden liever vast aan onze esoterische verklaring, omdat FOHAT even goed is als welke komeet ook en daarbij de universele intelligentie heeft om hem te leiden.
   Er zijn dus sinds de mensheid van Vaivasvata Manu op deze aarde verscheen, al vier van dergelijke verstoringen in de aardas geweest, toen de oude continenten – behalve het eerste – door de oceanen werden verzwolgen, andere landen verschenen en reusachtige bergketens verrezen waar er tevoren geen waren. Het oppervlak van de aarde werd iedere keer volledig veranderd; het overleven van de geschiktste volkeren en rassen werd door tijdige hulp gewaarborgd; en de ongeschikte – de mislukkingen – werden opgeruimd doordat zij van de aarde werden weggevaagd. Een dergelijk rangschikken en verschuiven gebeurt niet tussen zonsondergang en zonsopgang, zoals men misschien denkt, maar vereist vele duizenden jaren, voordat in het nieuwe huis orde op zaken is gesteld.
   De onderrassen zijn aan hetzelfde reinigingsproces onderworpen, evenals de zijtakken (de familierassen). Laat iemand die goed bekend is met sterrenkunde en wiskunde, een blik terugwerpen in de schemering en de schaduwen van het verleden. Laat hem waarnemen en aantekeningen maken van wat hij weet over de geschiedenis van volkeren en naties, en de opkomst en neergang van elk daarvan vergelijken met wat bekend is over sterrenkundige cyclussen – vooral met het siderische jaar, dat gelijk is aan 25.868 van onze zonnejaren11. Als de waarnemer ook maar de geringste intuïtie bezit, zal hij ontdekken hoe nauw het wel en wee van volkeren is verbonden met het begin en het einde van deze siderische cyclus. Het is waar dat de niet-occultist het nadeel heeft dat hij zich niet op zulke ver verwijderde tijden kan beroepen. Hij weet op grond van de exacte wetenschap niets over wat ongeveer 10.000 jaar geleden plaatsvond; toch kan hij misschien troost vinden in de kennis of, als hij daaraan de voorkeur geeft, in de speculatie over het lot van elk van de hedendaagse volkeren waarover hij iets weet – over ongeveer 16.000 jaar. Onze bedoeling is heel duidelijk. Elk siderisch jaar verwijderen de keerkringen zich vier graden van de pool bij elke omwenteling van de dag- en nachteveningspunten, terwijl de evenaar zijn ronde door de tekens van de Dierenriem maakt. Nu ligt de keerkring tegenwoordig, zoals elke sterrenkundige weet, slechts drieëntwintig en iets minder dan een halve graad van de evenaar. Daarom moet hij nog 2,5 graad opschuiven vóór het einde van het siderische jaar; wat de mensheid in het algemeen, en onze beschaafde rassen in het bijzonder, een uitstel geeft van ongeveer 16.000 jaar12.
   Na de grote vloed van het derde Ras (de Lemuriërs):
   ‘namen de mensen aanzienlijk in grootte af, en werd hun levensduur verkort. Omdat ze hun goddelijke toestand hadden verlaagd, vermengden ze zich met dierenrassen, en huwden met reuzen en pygmeeën (de dwerg geworden rassen van de polen) . . . Velen verkregen GODDELIJKE, ja zelfs ONWETTIGE kennis, en volgden vrijwillig het LINKERPAD.’ (Toelichting xxxiii.)
   Zo naderden de Atlantiërs op hun beurt de vernietiging. Hoeveel geologische tijdperken er nodig waren om deze vierde vernietiging te volbrengen? Wie kan het zeggen. . . . Maar ons wordt gezegd:


      44. ZIJ (de Atlantiërs) BOUWDEN GROTE BEELDEN, NEGEN YATI’S HOOG (27 voet) – DE GROOTTE VAN HUN LICHAMEN (a). ONDERAARDSE VUREN HADDEN HET LAND VAN HUN VADEREN (de Lemuriërs) VERWOEST. HET WATER BEDREIGDE HET VIERDE (Ras) (b).

   (a) Het is de moeite waard op te merken dat de meeste van de reusachtige standbeelden die zijn ontdekt op het Paaseiland, een deel van een onmiskenbaar verzonken continent – evenals de beelden die worden gevonden aan de rand van de Gobi, een gebied dat talloze eeuwen overstroomd is geweest – alle tussen de 20 en 30 voet hoog zijn. De beelden die door Cook op het Paaseiland werden aangetroffen, waren bijna alle zevenentwintig voet hoog en acht voet over de schouders gemeten. (Zie de § ‘Stenen, getuigen van reuzen’ aan het einde van deze stanza.) De schrijfster is zich ervan bewust, dat de hedendaagse archeologen nu voor zichzelf hebben vastgesteld dat ‘deze standbeelden niet erg oud zijn’, zoals wordt beweerd door een van de hoge ambtenaren van het Brits Museum, waar enkele ervan nu staan. Maar dit is een van die willekeurige beslissingen van de hedendaagse wetenschap die niet veel gewicht in de schaal leggen.
   Men zegt ons dat de mensen geleidelijk in grootte afnamen na de vernietiging van ‘Lemurië’ door onderaardse vuren – een proces dat al na hun stoffelijke VAL was begonnen – en dat zij tenslotte enkele miljoenen jaren later de zes à zeven voet bereikten en nu (zoals de oudere Aziatische rassen) afnemen tot eerder vijf dan zes voet. Zoals Pickering aantoont, is er in het Maleise ras (een onderras van het vierde Wortelras) een opmerkelijke verscheidenheid in lengte; de leden van de Polynesische familie (de bewoners van Tahiti, Samoa en de Tonga-eilanden) hebben een grotere lengte dan de rest van de mensheid; maar de Indiase stammen en de bewoners van de Indochinese landen zijn beslist beneden het algemene gemiddelde. Dit is gemakkelijk te verklaren. De Polynesiërs behoren tot de allereerste van de nog overlevende onderrassen, de anderen tot de allerlaatste, de overgangsstam. De Tasmaniërs zijn nu volledig uitgestorven en de Australiërs zijn snel aan het uitsterven; de andere oude rassen zullen spoedig volgen.

   (b) Hoe konden deze geschriften nu zijn bewaard, kan men ons vragen. Onze vriendelijke en geleerde oriëntalisten ontzeggen de Hindoes zelfs de kennis van de Dierenriem en concluderen dat de Arische Hindoes er niets van wisten voordat de Grieken deze in dat land brachten. Deze onnodige laster werd door Bailly, en wat meer zegt, door het duidelijke getuigenis van de feiten afdoende weerlegd, zodat er geen behoefte is aan veel meer weerleggingsmateriaal. Terwijl de Egyptenaren in hun Dierenriemen (Zie Denon, ‘Voyage en Egypte’, Deel II) onweerlegbare bewijzen hebben van verslagen die meer dan drie en een half siderisch jaar – of ongeveer 87.000 jaar – omvatten, beslaan de berekeningen van de Hindoes bijna drieëndertig van dergelijke jaren, dat is 850.000 jaar. De Egyptische priesters verzekerden Herodotus dat de pool van de aarde en de pool van de ecliptica vroeger samenvielen. Maar, zoals de schrijver van de Sphinxiad opmerkt: ‘Deze arme onwetende Hindoes hebben in hun verslagen een kennis van de sterrenkunde neergelegd tijdens tienmaal 25.000 jaar sinds de (laatste plaatselijke) grote vloed (in Azië) of de eeuw van de verschrikking’, op de breedtegraad van India. En zij bezitten verslagen van waarnemingen vanaf de datum van de eerste grote vloed in de Arische geschiedkundige herinnering – de vloed die 850.000 jaar geleden de laatste gedeelten van Atlantis liet verzinken. De vloeden die daaraan voorafgingen, vallen natuurlijk meer onder de overlevering dan onder de geschiedenis.
   Terwijl het verzinken en de transformatie van Lemurië dicht bij de poolcirkel (Noorwegen) begonnen, beëindigde het derde Ras zijn loopbaan in Lanka, of liever op wat bij de Atlantiërs Lanka werd. Het kleine overblijfsel, dat nu bekendstaat als Ceylon, is het noordelijke hoogland van het oude Lanka, terwijl het reusachtige eiland van die naam in het Lemurische tijdperk het enorme continent was dat enige bladzijden terug werd beschreven. Zoals een MEESTER zegt (zie ‘Esoteric Buddhism’, blz. 65): ‘Waarom houden uw geologen niet in gedachten dat er onder de continenten die zij hebben onderzocht . . . diep in de peilloze of liever ongepeilde oceaanbodem, misschien andere en veel oudere continenten verborgen liggen, waarvan de lagen nooit geologisch zijn onderzocht; en dat die op een goede dag hun huidige theorieën geheel ondersteboven kunnen gooien? Waarom geven ze niet toe dat onze tegenwoordige continenten, evenals Lemurië en Atlantis, al verschillende keren zijn overstroomd en de tijd hebben gehad om weer te verschijnen en hun nieuwe groepen van mensen en beschavingen te dragen; en dat bij de eerste grote geologische omwenteling tijdens de volgende aardramp in de reeks van periodieke rampen, die van het begin tot het eind van elke Ronde plaatsvinden, onze reeds ten dode opgeschreven continenten zullen tenondergaan en de Lemuriës en Atlantissen weer boven zullen komen?’
   Natuurlijk niet precies dezelfde continenten.
   Maar hier is een verklaring nodig. Over het denkbeeld van een noordelijk ‘Lemurië’ hoeft geen verwarring te ontstaan. Het feit dat dit grote continent een uitloper had tot in de noordelijke Atlantische Oceaan, is geen beletsel voor de algemeen verbreide opvattingen over de ligging van het verloren Atlantis, en het ene bevestigt het andere. Men moet bedenken dat het Lemurië dat diende tot bakermat van het derde Wortelras, niet alleen een uitgestrekt gebied in de Grote en de Indische Oceaan omvatte, maar zich in de vorm van een hoefijzer uitstrekte voorbij Madagascar, rond ‘Zuid-Afrika’ (toen slechts een brokstuk in wording), door de Atlantische Oceaan tot Noorwegen toe. De laag van het grote Engelse zoetwaterbekken dat het Wealden wordt genoemd – dat elke geoloog beschouwt als de monding van een vroegere grote rivier – is de bedding van de belangrijkste stroom die in het Secundair zorgde voor de afwatering van noordelijk Lemurië. Het vroegere bestaan van deze rivier is een wetenschappelijk vaststaand feit – zullen de aanhangers van deze opvatting de noodzaak erkennen om het noordelijke Lemurië uit het Secundair te aanvaarden, zoals hun gegevens vereisen? Professor Berthold Seeman aanvaardde niet alleen het werkelijke bestaan van zo’n machtig continent, maar beschouwde ook Australië en Europa als vroegere gedeelten van één continent – en bevestigde zo de al genoemde ‘hoefijzer’-leer volledig. Er kan geen treffender bevestiging van onze bewering worden gegeven dan door het feit, dat de VERHOOGDE RUG in het Atlantische bekken, 9000 voet hoog, vanaf een punt bij de Britse eilanden twee tot drieduizend mijl naar het zuiden loopt, eerst afbuigt in de richting van Zuid-Amerika, dan bijna rechthoekig ombuigt en verder gaat in ZUIDOOSTELIJKE richting naar de kust van Afrika, vanwaar hij in zuidelijke richting zijn weg vervolgt naar Tristan da Cunha. Deze rug is een overblijfsel van een Atlantisch continent en zou, als hij verder kon worden vervolgd, het bewijs opleveren van een onderzeese hoefijzervormige verbinding met een vroeger continent in de Indische Oceaan. (Vergelijk de kaart volgens de peilingen van de ‘Challenger’ en de ‘Dolphin’ in Donnelly, ‘Atlantis, the Antediluvian World’, blz. 47.)
   Het Atlantische deel van Lemurië was de geologische basis van wat algemeen bekendstaat als Atlantis. Het laatste moet inderdaad eerder worden opgevat als een uitbreiding van de Atlantische voortzetting van Lemurië, dan als een heel nieuwe landmassa die was verrezen om aan de speciale behoeften van het vierde Wortelras te voldoen. Evenmin als bij de evolutie van de rassen kan bij het verplaatsen en hergroeperen van continentale massa’s een scherpe en vaste lijn worden getrokken om aan te geven waar de ene situatie eindigt en de andere begint. In natuurlijke processen wordt de continuïteit nooit verbroken. Zo werden de Atlantiërs van het vierde Ras ontwikkeld uit een kern van mensen van het derde Ras in het noorden van Lemurië, ruwweg rondom een plaats die nu in het midden van de Atlantische Oceaan ligt. Hun continent werd gevormd door het zich verenigen van een groot aantal eilanden en schiereilanden, die in de natuurlijke loop van de tijd omhoogkwamen en die tenslotte het ware thuis werden van het grote, Ras dat bekendstaat als de Atlantiërs. Nadat deze samensmelting eenmaal werkelijkheid was geworden, is het duidelijk – zoals op het hoogste ‘occulte’ gezag wordt gezegd – dat ‘Lemurië evenmin met het Atlantische continent moet worden verward als Europa met Amerika’. (‘Esoteric Buddhism’, blz. 58.)
   Het bovenstaande, dat afkomstig is uit kringen die bij de orthodoxe wetenschap zo verdacht zijn, zal natuurlijk door deze worden opgevat als een meer of minder gelukkige fantasie. Zelfs het genoemde knappe boek van Donnelly wordt terzijde gelegd, hoewel alle daarin opgenomen beweringen binnen het kader van strikt wetenschappelijke bewijzen vallen. Maar wij schrijven voor de toekomst. Ontdekkingen in deze richting zullen de Aziatische filosofen in het gelijk stellen, die beweren dat de wetenschappen – met inbegrip van de geologie, de etnologie en de geschiedenis – werden beoefend door de voordiluviaanse volkeren die een onnoemelijk aantal eeuwen geleden leefden. Toekomstige vondsten zullen de juistheid van de huidige opmerkingen van scherpzinnige denkers als H.A. Taine en Renan rechtvaardigen. De eerstgenoemde toont aan dat de beschavingen van archaïsche volkeren zoals de Egyptenaren, de Ariërs van India, de Chaldeeën, de Chinezen en de Assyriërs het resultaat zijn van voorafgaande beschavingen tijdens ‘myriaden eeuwen’13. De laatstgenoemde wijst erop dat ‘Egypte al in het begin volwassen lijkt te zijn, oud en geheel en al zonder een mythische en heroïsche tijd, alsof het land nooit een jeugd had gehad. Zijn beschaving had geen kinderjaren en zijn kunst geen archaïsche periode. De beschaving van de oude monarchie begon niet met een kindsheid. Zij was al volwassen14.’ Hieraan voegt professor R. Owen toe dat ‘Egypte volgens de geschiedenis een beschaafde en bestuurde gemeenschap was vóór de tijd van Menes’; en Winchell (‘Pre-Adamites’, blz. 120) zegt dat ‘de Egyptenaren in de tijd van Menes al een beschaafd en talrijk volk waren. Manetho deelt mee dat Athotis, de zoon van de eerste koning Menes, het paleis van Memphis bouwde, dat hij arts was en anatomische boeken heeft nagelaten.’
   Dit is heel natuurlijk als we de verklaringen van Herodotus mogen geloven, die in Euterpe (cxlii) meedeelt dat de geschreven geschiedenis van de Egyptische priesters liep vanaf ongeveer 12.000 jaar vóór zijn tijd. Maar wat zijn 12.000 of zelfs 120.000 jaar, vergeleken met de miljoenen jaren die sinds het Lemurische tijdperk zijn verstreken? Dit laatste is echter niet zonder getuigen gebleven, ondanks zijn enorm hoge ouderdom. De volledige verslagen van de groei, de ontwikkeling, het sociale en zelfs het politieke leven van de Lemuriërs zijn in de geheime annalen bewaard gebleven. Helaas zijn er maar weinigen die ze kunnen lezen; en zij die dat zouden kunnen, zouden nog niet in staat zijn de taal te begrijpen, tenzij ze bekend zijn met alle zeven sleutels van de symboliek ervan. Want het begrijpen van de occulte leer is gebaseerd op dat van de zeven wetenschappen, en deze vinden hun uitdrukking in de zeven verschillende toepassingen van de geheime verslagen op de exoterische teksten. We hebben dus te maken met denkwijzen op zeven heel verschillende gebieden van het ideële. Elke tekst heeft betrekking op en moet worden vertaald vanuit een van de volgende standpunten:
   1. het realistische gebied van het denken;
   2. het idealistische;
   3. het zuiver goddelijke of geestelijke.
   De andere gebieden gaan het gemiddelde bewustzijn, vooral dat van de materialistische denker, zover te boven dat men ze in gewone taal zelfs niet symbolisch kan weergeven. In geen enkele van de oude religieuze teksten is een zuiver mythisch element aanwezig; maar de denkwijze waaruit zij oorspronkelijk zijn voortgevloeid, moet bij het interpretatieproces worden ontdekt en men moet zich er nauwkeurig aan houden. Want de manier van denken is òf symbolisch (de archaïsche manier), emblematisch (een latere, hoewel heel oude manier van denken), parabolisch (allegorisch), hiëroglifisch, òf wel logogrammatisch – de moeilijkste methode van alle, omdat elke letter, zoals in de Chinese taal, een heel woord voorstelt. Zo bestaat bijna elke eigennaam, of deze nu staat in de Veda’s, het ‘Dodenboek’ of de Bijbel (tot op zekere hoogte), uit zulke logogrammen. Niemand die niet is ingewijd in het mysterie van de occulte religieuze logografie, kan beweren te weten wat een naam in een oud fragment betekent, voordat hij zich de betekenis van iedere letter waaruit het is samengesteld, heeft eigen gemaakt. Hoe kan men dan verwachten dat een niet-ingewijde denker, hoe groot zijn kennis van de om zo te zeggen orthodoxe symboliek ook is – d.i. die symboliek die nooit uit de oude gedachtegroeven van zonnemythe en sekseverering loskomt – zal doordringen tot het geheim achter de sluier? Iemand die zich bezighoudt met het omhulsel of de schil van de dode letter en zich wijdt aan de kaleidoscopische overzetting van dorre woordsymbolen, kan nooit verwachten verder te komen dan de fantasieën van de hedendaagse mythologen.
   Zo verschaffen Vaivasvata, Xisuthrus, Deukalion, Noach, enz. – al de hoofdfiguren van de algemene en gedeeltelijke, sterrenkundige of geologische wereldzondvloeden – allen in hun namen zelf, indien men deze maar volledig kan lezen, de aanduidingen van de oorzaken en gevolgen die tot de gebeurtenis hebben geleid. Al dergelijke zondvloeden zijn gebaseerd op gebeurtenissen die in de natuur plaatsvonden en gelden daarom als historische verslagen – of ze nu siderisch, geologisch, of zelfs eenvoudig allegorisch waren – van een morele gebeurtenis op andere en hogere gebieden van bestaan. Dit is naar onze mening nu voldoende aangetoond in de lange toelichting die door de allegorische stanza’s noodzakelijk werd.
   Het is enigszins ongebruikelijk om in een boek dat aanspraak maakt op een meer wetenschappelijk karakter dan ‘Jack the Giant-Killer’ te spreken over een ras dat negen yati’s of 27 voet lang is. ‘Waar zijn uw bewijzen?’ zal men de schrijfster vragen. In de geschiedenis en de overlevering, is het antwoord. Overleveringen over een ras van reuzen in de oude tijd zijn algemeen verbreid; zij bestaan in mondelinge en geschreven volksverhalen. India had zijn danava’s en daitya’s; Ceylon had zijn rakshasa’s; Griekenland zijn titanen; Egypte zijn reusachtige helden; Chaldea zijn lzdubars (Nimrod); en de Joden hun emims van het land Moab met de beroemde reuzen, anakim (Numeri xiii, 33). Mozes spreekt over Og, een koning die negen el (15 voet 4 duim) lang was en vier el breed (Deut. iii, 11), en Goliath was ‘zes el en een span (10 voet 7 duim) lang’. Het enige verschil tussen de ‘geopenbaarde Schrift’ en de bewijzen die ons door Herodotus, Diodorus Siculus, Homerus, Plinius, Plutarchus, Philostratus, enz. worden verschaft, is dit: terwijl de heidenen alleen de skeletten van reuzen noemen, die ontelbare eeuwen tevoren waren gestorven, overblijfselen die sommigen van hen persoonlijk hadden gezien, eisen de bijbeluitleggers schaamteloos dat de geologie en archeologie zouden geloven dat verschillende landen in de tijd van Mozes door zulke reuzen werden bewoond; reuzen in vergelijking waarmee de joden als sprinkhanen waren, en die nog bestonden in de tijd van Jozua en David. Helaas staat hun eigen chronologie ze in de weg. òf deze, òf de reuzen moeten worden opgegeven. (Zie evenwel Afdeling III, Aanhangsels, het afsluitende hoofdstuk.)
   Er zijn nog maar een paar getuigen van de verzonken continenten en de reusachtige mensen die ze bewoonden. De archeologie beweert dat er verschillende op deze aardbol zijn, maar behalve zich afvragen ‘wat zij zouden kunnen zijn’, heeft ze nooit een ernstige poging gedaan om het mysterie op te lossen. Afgezien van de al genoemde standbeelden op Paaseiland, tot welk tijdperk behoren de reusachtige nog overeind staande en onbeschadigde beelden bij Bamian? De archeologie schrijft ze zoals gebruikelijk toe aan de eerste eeuwen van het christendom, en vergist zich hierin, zoals bij veel andere speculaties. Een korte beschrijving zal de lezer laten zien wat de standbeelden van Paaseiland en Bamian zijn. We zullen eerst onderzoeken wat erover aan de orthodoxe wetenschap bekend is. In ‘The Countries of the World’ door Robert Brown wordt in Deel IV, blz. 43, gezegd:

   ‘Teapi, Rapa-nui of het Paaseiland is een afgelegen plek, bijna 2000 mijl van de Zuidamerikaanse kust . . . Het is ongeveer twaalf mijl lang en vier breed . . . en er is in het midden een uitgedoofde krater, die 1050 voet hoog is. Het eiland heeft een overvloed van kraters, die al zo lang zijn uitgedoofd dat er geen overlevering over hun activiteit bestaat . . .’
   ‘. . . Maar wie heeft de grote beelden (blz. 44) gemaakt, die nu voor bezoekers de belangrijkste attractie van het eiland zijn? Niemand weet het’, zegt de schrijver. ‘Het is meer dan waarschijnlijk dat zij hier waren toen de huidige bewoners (een handvol Polynesische wilden) aankwamen . . . De bekwaamheid waarmee ze zijn gemaakt, staat op een hoog niveau . . . en men gelooft dat het ras dat ze vervaardigde, geregelde bezoekers waren van de inheemse bevolking van Peru en andere delen van Zuid-Amerika . . . Zelfs in de tijd van het bezoek van Cook lagen sommige van de standbeelden, die 27 voet hoog zijn en acht voet over de schouders meten, omver, terwijl andere die nog overeind stonden, veel groter leken. Een van de laatstgenoemde was zo hoog, dat de schaduw ervan voldoende was om een groep van dertig personen tegen de hitte van de zon te beschutten. De voetstukken waarop deze reusachtige beelden stonden, waren gemiddeld dertig tot veertig voet lang en twaalf tot zestien breed . . . alle vervaardigd uit gehouwen steen in cyclopische stijl, en ze leken in veel opzichten op de muren van de tempel van Pachacamac, of de ruïnes van Tia-Huanuco in Peru’ (zie ook deel iii, blz. 310, 311).

   ‘ER IS GEEN REDEN OM AAN TE NEMEN DAT DEZE BEELDEN STUKJE BIJ BEETJE ZIJN OPGEBOUW MET BEHULP VAN EROMHEEN OPGERICHTE STEIGERS’, voegt het blad er veelbetekenend aan toe – zonder te verklaren hoe ze anders konden worden gebouwd, tenzij door reuzen van dezelfde grootte als de standbeelden zelf. Een van de beste van deze reusachtige beelden staat nu in het Brits Museum. De beelden van Ronororaka – de enige die nu overeind staan – zijn vier in getal, waarvan er drie diep in de grond zijn weggezakt en er één rust op zijn achterhoofd, als een slapend mens. Hoewel alle langhoofdig, zijn hun typen verschillend, en ze zijn kennelijk bedoeld als afbeeldingen, want de neuzen, de monden en kinnen verschillen sterk van vorm, terwijl bovendien uit hun hoofdtooi – een soort platte kap met een achterstuk eraan bevestigd om de achterkant van het hoofd te bedekken – blijkt dat de originelen geen wilden uit de steentijd waren. Inderdaad kan men de vraag stellen: ‘Wie heeft ze gemaakt?’ Het is echter niet waarschijnlijk dat de archeologie of zelfs de geologie daarop antwoordt, hoewel deze laatste het eiland als een deel van een verzonken continent erkent.
   Maar wie hebben de nog kolossaler beelden van Bamian uitgehouwen, de grootste en meest gigantische in de hele wereld, want het ‘Vrijheidsbeeld’ van Bartholdi (nu in New York) is een dwerg in vergelijking met het grootste van deze vijf beelden. Burnes en verschillende geleerde jezuïeten die deze plaats hebben bezocht, spreken over een berg ‘die in alle richtingen wordt doorkruist door reusachtige cellen’, met twee enorme reuzen die in dezelfde rots zijn uitgehouwen. Men duidt ze aan als de hedendaagse Miaotse (zie boven, citaat uit Shoo-King), de laatste overlevende getuigen van de Miaotse die ‘de aarde in beroering hadden gebracht’; de jezuïeten hebben gelijk, en de archeologen die in de grootste van deze beelden Boeddha’s zien, vergissen zich. Want al die talloze reusachtige ruïnes die de een na de ander in onze tijd worden ontdekt, al die enorme rijen kolossale ruïnes die Noord-Amerika langs en voorbij het Rotsgebergte doorkruisen, zijn het werk van de cyclopen, de ware en werkelijke reuzen van de oudheid. ‘Massa’s geweldig grote menselijke beenderen’ werden gevonden ‘in Amerika, bij Misorte’, vertelt een beroemde hedendaagse reiziger ons, precies op de plaats die de lokale overlevering aanwijst als de landingsplaats van de reuzen die Amerika binnendrongen toen dit nauwelijks uit de wateren was verrezen (zie ‘De la Vega’, Deel ix, hfst. ix)15.
   Overleveringen uit Midden-Azië zeggen hetzelfde over de beelden van Bamian. Wat zijn ze, en wat is het voor een plaats waar ze ontelbare eeuwen hebben gestaan, terwijl ze de natuurrampen om hen heen en zelfs de hand van de mens, zoals bijvoorbeeld van de horden van Timur en de Vandalenkrijgers van Nadir-Shah, trotseerden? Bamian is een kleine, armzalige, halfvervallen stad in Midden-Azië, halverwege tussen Kaboel en Balkh, aan de voet van de Koeh-i-Baba, een reusachtige berg van de Paropamisian- (of Hindoe-Koesj-)keten, ongeveer 8500 voet boven de zeespiegel. In de oudheid was Bamian een deel van de oude stad Djooljool, die door Djengis Khan in de XIIIe eeuw tot de laatste steen werd verwoest. De hele vallei is ingesloten door kolossale rotsen, vol deels natuurlijke en deels kunstmatige holen en grotten, eens de woonplaatsen van boeddhistische monniken die daarin hun vihara’s hadden gevestigd. Dergelijke vihara’s kan men tot heden toe in overvloed aantreffen in de rotstempels van India en de dalen van Jellalabad. Aan de ingang van enkele hiervan zijn vijf enorme standbeelden, die men beschouwde als Boeddhabeelden, ontdekt of liever in onze eeuw opnieuw ontdekt, want de beroemde Chinese reiziger Hiouen-Thsang spreekt erover en zag ze toen hij Bamian in de VIIe eeuw bezocht.
   De bewering dat er op de hele wereld geen grotere standbeelden bestaan, wordt gemakkelijk bewezen op grond van de getuigenissen van alle reizigers die ze hebben onderzocht en gemeten. Zo is het grootste 173 voet hoog, of zeventig voet hoger dan het ‘Vrijheidsbeeld’ dat nu in New York staat, want dit laatste is slechts 105 voet of 34 meter hoog. Zelfs de beroemde Kolossus van Rhodos, tussen de benen waarvan de grootste schepen van die tijd gemakkelijk konden doorvaren, was maar 120 tot 130 voet hoog. Het tweede standbeeld, evenals het eerste in de rots uitgehouwen, is slechts 120 voet (15 voet langer dan het genoemde ‘Vrijheidsbeeld’)16. Het derde standbeeld is slechts 60 voet hoog; de twee andere zijn nog kleiner, het laatste is maar weinig groter dan de gemiddelde lange mens van ons tegenwoordige ras. De eerste en grootste van de kolossen stelt een man voor, die in een soort toga is gehuld. Volgens De Nadeylac (zie hieronder) wijzen het algemene voorkomen van de figuur, de lijnen van het hoofd, de plooien van de kleding en vooral de grote hangende oren er onmiskenbaar op, dat men Boeddha bedoelde af te beelden. Maar dit alles bewijst niets. Ondanks het feit dat de meeste nu bestaande beelden van Boeddha, die wordt voorgesteld in de samadhi-houding, grote afhangende oren hebben, is dit een latere nieuwigheid en toevoeging. Het oorspronkelijke denkbeeld berustte op een esoterische allegorie. De onnatuurlijk grote oren symboliseren de alwetendheid van de wijsheid, en waren bedoeld als herinnering aan de macht van hem die alles weet en hoort en die een weldadige liefde en aandacht voor alle schepselen bezit en aan wie niets kan ontgaan. ‘De barmhartige Heer, onze Meester, hoort de kreet van smart van de kleinste van de kleinen over bergen en dalen, en haast zich te helpen’, zegt een stanza. Gautama Boeddha was een Arische Hindoe en iets wat op dergelijke oren lijkt, vindt men alleen bij de Mongoolse Birmanen en Siamezen die ze, evenals in Cochin, kunstmatig misvormen. De boeddhistische monniken, die de grotten van de Miaotse veranderden in vihara’s en cellen, trokken omstreeks de eerste eeuw van de christelijke jaartelling Midden-Azië binnen. Daarom zegt Hiouen Thsang over het kolossale standbeeld dat ‘de schittering van de gouden versieringen die het beeld bedekten’ in zijn tijd ‘de ogen verblindde’, maar in de huidige tijd is er geen spoor van een dergelijk verguldsel over. Het gewaad is, in tegenstelling tot het beeld zelf dat in de opgaande rots is uitgehouwen, gemaakt van pleisterwerk en over het stenen beeld aangebracht. Talbot, die een nauwkeurig onderzoek heeft verricht, stelde vast dat dit gewaad tot een veel later tijdperk behoorde. Het beeld zelf moet daarom worden gerekend tot een veel vroegere periode dan die van het boeddhisme. Wie stelt het dan voor, kan men vragen?
   Opnieuw geeft de overlevering, gesteund door geschreven documenten, antwoord op de vraag en verklaart ze het mysterie. De boeddhistische arhats en asceten vonden de vijf beelden en nog veel andere, die nu tot stof zijn vergaan, en omdat ze de drie aantroffen in reusachtige nissen bij de ingang van hun toekomstige verblijfplaats, bedekten zij de figuren met pleisterwerk en modelleerden over de oude heen, nieuwe beelden die de Heer Tathagata moesten voorstellen. De binnenmuren van de nissen zijn nog steeds bedekt met fel gekleurde schilderingen van menselijke figuren, en de heilige afbeelding van Boeddha is in elke groep herhaald. Deze fresco’s en versieringen – die herinneren aan de Byzantijnse stijl van schilderen – zijn alle te danken aan de vroomheid van de monnik-asceten, en hetzelfde geldt voor enkele andere kleine figuren en in de rots uitgehouwen versieringen. Maar de vijf standbeelden behoren tot het handwerk van de ingewijden van het vierde Ras, die na het verzinken van hun continent toevlucht zochten in de uitgestrektheden en op de toppen van de Midden-Aziatische bergketens. Bovendien vormen de vijf beelden een onvergankelijk getuigenis van de esoterische leer over de geleidelijke evolutie van de rassen.
   Het grootste moet het eerste Ras van de mensheid voorstellen, een gedenkteken van het etherische lichaam daarvan in harde, onvergankelijke steen, tot lering van toekomstige generaties, omdat de herinnering eraan anders de Atlantische zondvloed nooit zou hebben overleefd. Het tweede – 120 voet hoog – stelt de zweetgeborenen voor, en het derde – dat 60 voet meet – vereeuwigt het ras dat viel en daarmee het eerste stoffelijke ras inleidde, uit een vader en een moeder geboren, waarvan de laatste afstammelingen worden voorgesteld door de beelden van het Paaseiland; maar zij hadden slechts een lengte van 20 tot 25 voet in de tijd dat Lemurië verzonk, nadat het door vulkanische vuren bijna was vernietigd. Het vierde Ras was nog kleiner, hoewel reusachtig vergeleken met ons huidige vijfde Ras, en de reeks bereikte tenslotte een hoogtepunt in dit laatste. (Zie het volgende hoofdstuk over ‘Cyclopische ruïnes en kolossale stenen als getuigen voor het bestaan van reuzen’.)
   Dit zijn dan de ‘reuzen’ van de oudheid, de voor- en nadiluviaanse gibborim van de bijbel. Ze leefden en bloeiden in een tijd die eerder een miljoen dan drie- of vierduizend jaar geleden lag. De anakim van Jozua, waarvan de menigten waren als ‘sprinkhanen’ vergeleken met hen, zijn dus een product van de israëlitische verbeelding, tenzij het volk van Israël inderdaad aan Jozua een oudheid en een oorsprong in het Eoceen toeschrijft, of tenminste in het Mioceen, en de duizenden jaren van hun tijdrekening in miljoenen jaren wil veranderen.
   Bij alles wat te maken heeft met voorhistorische tijden zou de lezer de wijze woorden van Montaigne in gedachten moeten houden. De grote Franse filosoof zegt:

   ‘. . . Het is een dwaze arrogantie om te verachten en voor onwaar uit te maken, wat voor ons in het geheel geen waarschijnlijkheid of waarheid lijkt te bevatten: dit is een gewone fout van diegenen die zich wijsmaken dat zij meer zijn dan het gewone volk.’
   ‘. . . Maar de rede heeft mij geleerd dat door iets zo beslist als fout en onmogelijk te veroordelen, men zichzelf het voorrecht toekent de grenzen en beperkingen van Gods wil en de macht van onze gemeenschappelijke Moeder Natuur in de zak te hebben, en dat er geen grotere dwaasheid in de wereld is dan deze terug te brengen tot de omvang van onze vermogens en de grenzen van ons kunnen.’
   ‘Als wij de dingen die ons verstand niet kan begrijpen monsters of wonderen noemen, met hoeveel daarvan hebben wij dan niet dagelijks te maken? Laten we bedenken door welke wolken en hoe geblinddoekt wij worden geleid tot de kennis van de meeste dingen die door onze handen gaan; inderdaad zullen we vinden dat het veeleer gewoonte dan wetenschap is die ons het vreemde ervan laat aanvaarden; en dat wij die dingen, als ze zich voor het eerst aan ons voordoen, ongetwijfeld als veel onwaarschijnlijker en ongelooflijker zouden beschouwen dan wat dan ook.’ (Essays, hfst. xxvi.)

   Een onbevooroordeelde geleerde behoort, voordat hij de mogelijkheid van onze geschiedenis en geschriften ontkent, in de moderne geschiedenis en in de universele overleveringen die door de oude en moderne literatuur heen zijn verspreid, te zoeken naar sporen die door deze wonderbaarlijke eerste rassen zijn achtergelaten. Weinig ongelovigen hebben een vermoeden van de rijkdom aan ondersteunend bewijsmateriaal dat alleen al in het Brits Museum ligt verspreid en begraven. Wij vragen nog één keer de aandacht van de lezer voor het onderwerp dat in het volgende hoofdstuk wordt behandeld.



Cyclopische ruïnes en kolossale stenen

als getuigen voor het bestaan van reuzen


   In zijn lijvige boeken – Mémoires adressés à l’Académie des Sciences – heeft De Mirville bij het uitoefenen van de taak het werkelijke bestaan van de duivel te bewijzen en aan te tonen dat hij in elke oude en moderne afgod verblijft, enkele honderden bladzijden ‘historische bewijzen’ verzameld, dat in de tijd van de wonderen – heidense en bijbelse – de stenen liepen, spraken, orakels verkondigden en zelfs zongen. Dat tenslotte de ‘Christus-steen’ of Christus-rots, ‘de geestelijke rots’ die ‘Israël’ volgde (1 Cor. x, 4) ‘een Jupiter-lapis werd’, die door zijn vader Saturnus werd verslonden ‘in de vorm van een steen’17. Wij zullen niet stilstaan bij het kennelijke misbruik en het verstoffelijken van bijbelse beeldspraak, enkel en alleen om het satanisme van afgoden te bewijzen, hoewel er over dit onderwerp veel zou zijn te zeggen18. Maar zonder te beweren dat onze stenen een dergelijke zwerflust en aangeboren psychische vermogens hebben, kunnen we wel op onze beurt elk beschikbaar bewijs verzamelen om aan te tonen dat (a) als er geen reuzen waren geweest om dergelijke kolossale stenen te verplaatsen, er nooit een Stonehenge, een Carnac (Bretagne) en meer van zulke cyclopische bouwwerken konden zijn geweest; (b) als er niet zoiets als MAGIE was, er nooit zoveel getuigen van orakels verkondigende en sprekende stenen konden zijn geweest.
   In de Achaica (blz. 81) erkent Pausanias dat hij bij het begin van zijn werk de Grieken als bijzonder dom had beschouwd ‘omdat ze stenen vereerden’. Maar nadat hij Arcadië had bereikt, voegt hij eraan toe: ‘Ik ben van gedachten veranderd.’ Zonder dus stenen, of wat hetzelfde is, stenen afgoden en beelden te vereren – een misdaad die de rooms-katholieken zo onverstandig zijn de heidenen te verwijten, want zij doen hetzelfde – is het toegestaan te geloven waarin zoveel grote filosofen en heilige mensen hebben geloofd, zonder dat men verdient door hedendaagse Pausaniassen een ‘idioot’ te worden genoemd.
   We verwijzen de lezer naar Deel VI van de Académie des Inscriptions (Mémoires, blz. 518 e.v.) als hij de verschillende eigenschappen van vuurstenen en kiezelstenen wil bestuderen vanuit het standpunt van de magie en psychische krachten. In een aan Orpheus toegeschreven gedicht over stenen worden deze verdeeld in ofieten en siderieten, ‘slangenstenen’ en ‘sterrenstenen’. ‘De ‘ofiet’ is ruig, hard, zwaar, zwart en heeft de gave van de spraak; als men hem wil weggooien, brengt hij een geluid voort dat lijkt op de schreeuw van een kind. Door middel van deze steen voorspelde Helenos de ondergang van Troje, zijn vaderland . . .’, enz. (Falconnet.)
   Sanchoniathon en Philo Byblos, die naar deze betyles verwijzen, noemen ze ‘bezielde stenen’. Photius herhaalt wat Damascius, Asclepiades, Isidorus en de arts Eusebius vóór hem hadden beweerd. De laatstgenoemde (Eusebius) scheidde nooit van zijn ofieten, die hij op zijn borst droeg, en hij ontving orakeluitspraken van hen, die werden gegeven met een zwakke stem die leek op zacht gefluit19. Arnobius (een heilige die ‘van een heiden een van de lichten van de kerk was geworden’, zoals de christenen hun lezers vertellen) erkent dat hij nooit een van zulke stenen kon aantreffen zonder deze vragen te stellen, ‘die soms werden beantwoord met een helder en schril stemmetje’. Waar is dan het verschil tussen de christelijke en de heidense ofieten, vragen wij?
   Het is ook bekend dat de beroemde steen in Westminster, liafail – ‘de sprekende steen’ – werd genoemd, die zijn stem alleen verhief om de koning te noemen die moest worden gekozen. Cambry (Monuments Celtiques) zegt dat hij hem heeft gezien toen hij nog het inschrift droeg20:

Ni fallat fatum, Scoti quocumque locatum
Invenient lapidem, regnasse tenentur ibidem.

   Tenslotte spreekt Suidas over een zekere Heraclius, die met één oogopslag de onbezielde stenen kon onderscheiden van stenen die zich konden bewegen; en Plinius vermeldt stenen die ‘wegliepen als een hand ze naderde’. (Zie Dictionnaire des Religions, par l’abbé Bertrand; art. over de woorden Heraclius en betyles).
   De Mirville – die probeert de bijbel te rechtvaardigen – vraagt heel ter zake, waarom de reusachtige stenen van Stonehenge in de oude tijd chiorgaur (van cor, ‘dans’, waarvan chorea, en gaur, een REUS) werden genoemd, of de dans van de reuzen? En dan verwijst hij de lezer voor een antwoord naar bisschop Gildas. Maar de schrijvers van de Voyage dans le Comté de Cornouailles, sur les traces des géants en van verschillende geleerde boeken over de ruïnes van Stonehenge21, Carnac en West Hoadley, geven veel betere en betrouwbaarder informatie over juist dit onderwerp. In die gebieden – ware wouden van rotsen – vindt men enorme monolieten, ‘waarvan sommige meer dan 500.000 kilo wegen’ (Cambry). Deze ‘hangende stenen’ van de vlakte van Salisbury worden verondersteld de overblijfselen te zijn van een druïdentempel. De druïden waren echter historische mensen en geen cyclopen of reuzen. Maar wie anders dan reuzen konden ooit zulke massa’s optillen (vooral die in Carnac en West Hoadley), ze zo symmetrisch rangschikken dat ze de planisfeer voorstellen en ze in zo’n bewonderenswaardig evenwicht brengen dat ze de grond nauwelijks schijnen te raken, in beweging worden gebracht bij het kleinste tikje van een vinger en toch weerstand zouden bieden aan de pogingen van twintig mannen die zouden proberen ze te verplaatsen.
   Wij zeggen dat de meeste van deze stenen overblijfselen zijn, achtergelaten door de laatste Atlantiërs. Men zal ons antwoorden dat ze volgens alle geologen van natuurlijke oorsprong zijn. Dat een rots als zij ‘verweert’, d.i. onder invloed van het weer schilfer na schilfer van haar substantie verliest, deze vorm aanneemt. Dat de ‘tors’ in het westen van Engeland eigenaardige vormen vertonen, die ook daardoor zijn veroorzaakt. Dat tenslotte, omdat alle geleerden van mening zijn dat de ‘schommelende stenen van zuiver natuurlijke oorsprong zijn en dat wind, regen, enz. het uiteenvallen van de rotsen in lagen veroorzaken’ – onze bewering terecht wordt ontkend, vooral omdat ‘we dit proces van verandering van rotsen nog steeds om ons heen zien voortgaan’. Laten we dus de zaak onderzoeken.
   Maar lees wat de geologie heeft te zeggen en u zult vernemen dat deze reusachtige massa’s vaak zelfs niet thuishoren in de landen waar ze zich nu bevinden; dat hun geologische verwanten vaak behoren tot lagen die in die gebieden onbekend zijn en die alleen ver weg over zee zijn te vinden. William Tooke (Franse vert., Sépulture des Tartares, Arch. VII, blz. 222) zegt in zijn beschouwingen over de enorme granietblokken die over Zuid-Rusland en Siberië liggen verspreid, dat waar zij zich nu bevinden, geen rotsen en geen bergen zijn, en dat zij daarheen moeten zijn gebracht ‘over ontzaglijke afstanden en met kolossale inspanningen’. Charton (Voyageurs Anciens et Modernes, Deel I, blz. 230) spreekt over een exemplaar van zo’n steen ‘uit Ierland’, die werd onderworpen aan een onderzoek door een voortreffelijke Engelse geoloog, die er een vreemde oorsprong aan toeschreef, ‘heel waarschijnlijk een Afrikaanse’.
   Dit is een vreemde samenloop van omstandigheden, want de Ierse overlevering schrijft de oorsprong van haar in een cirkel staande stenen toe aan een tovenaar die ze uit Afrika bracht. De Mirville ziet in die tovenaar ‘een vervloekte Hamiet22. Wij zien in hem een donkere Atlantiër of misschien zelfs een nog eerdere Lemuriër, die in leven was gebleven tot het ontstaan van de Britse eilanden – in ieder geval EEN REUS23.
   ‘Mensen’, zegt Cambry naïef, ‘hebben er niets mee te maken . . . want menselijke kracht en ijver zouden iets dergelijks nooit tot stand kunnen brengen. Alleen de Natuur heeft dit alles volbracht (!!) en eens zal de wetenschap dat bewijzen’ (!!) (blz. 88). Niettemin is het een menselijke, hoewel reusachtige kracht, die het heeft volbracht, en het is evenmin alleen ‘de natuur’ als god of de duivel.
   De ‘wetenschap’, die op zich heeft genomen te bewijzen dat zelfs het verstand en de geest van de mens eenvoudig het voortbrengsel van blinde krachten zijn, is heel goed in staat deze taak te aanvaarden. Zij komt misschien op een goede dag naar voren met een poging te bewijzen dat alleen de natuur de reusachtige stenen van Stonehenge heeft opgesteld, hun plaats met wiskundige precisie heeft bepaald en ze de vorm heeft gegeven van de Dendera planisfeer en van de tekens van de Dierenriem, en stenen die meer dan een miljoen pond wegen, uit Afrika en Azië naar Engeland en Ierland heeft laten vliegen!
   Het is waar dat Cambry later zijn beweringen heeft herroepen. ‘Ik had lange tijd geloofd’, zegt hij, ‘dat alleen de Natuur die wonderen kon voortbrengen . . . maar ik neem dat terug . . . het toeval is niet in staat zulke wonderbaarlijke combinaties te scheppen . . . en degenen die genoemde stenen in evenwicht hebben opgesteld, zijn dezelfden als zij die de bewegende massa’s van de vijver van Huelgoat bij Concarneau hebben omhooggebracht . . .’ Dr. John Watson, die door dezelfde schrijver wordt aangehaald (‘Antiquités Celtiques’, blz. 99), zegt over de bewegende rotsen of schommelende stenen op de helling van Golcar (de ‘Tovenaar’): ‘De verbazingwekkende beweging van die in evenwicht gehouden massa’s was er de oorzaak van dat de Kelten ze met goden vergeleken’ . . .
   In ‘Stonehenge’ (Flinders Petrie) wordt gezegd dat ‘Stonehenge is gebouwd van de steen uit het district, een rode zandsteen, ‘sarsen’ steen, die in die streek ‘grijze ramstenen’ worden genoemd. Maar enkele stenen, vooral die waarvan men zegt dat ze voor sterrenkundige doeleinden waren bestemd, zijn van ver aangevoerd, waarschijnlijk uit het noorden van Ierland’.
   Tenslotte is het de moeite waard de overdenkingen van een geleerde te citeren, uit een artikel over dit onderwerp, dat in 1850 werd gepubliceerd in de Revue Archéologique (blz. 473). Het artikel zegt over de schommelende stenen:

   ‘Elke steen is een blok, waarvan het gewicht de krachtigste machines op de proef zou stellen. Kortom, er zijn, verspreid over de hele wereld, massa’s waarvoor het woord bouwstoffen onverklaarbaar schijnt te blijven, bij de aanblik waarvan de verbeelding verward raakt en die men een naam moest geven die even reusachtig is als de dingen zelf. Daar komt bij dat deze enorme schommelende stenen, die soms routers worden genoemd – en die op een van hun zijden als op een punt zijn geplaatst, waarbij hun evenwicht zo volmaakt is dat het kleinste duwtje voldoende is om hen in beweging te brengen . . . – duidelijk een kennis van de statica verraden. De wederzijdse tegenbeweging, hun oppervlakken, om beurten vlak, bol en hol . . . dit alles brengt ze in verband met cyclopische monumenten, waarvan men, in navolging van De La Vega, met reden kan zeggen dat ‘de demonen er meer aan schijnen te hebben gewerkt dan de mensen’24.’

   We zijn het deze keer eens met onze vrienden en vijanden, de rooms-katholieken, en vragen of zulke wonderen van statica en evenwicht, toegepast op massa’s die miljoenen ponden wegen, het werk kunnen zijn van paleolithische wilden, van holbewoners die langer zijn dan de gemiddelde mens in onze eeuw, maar toch gewone stervelingen zoals wij? Het heeft voor ons doel geen zin te verwijzen naar de verschillende tradities die zijn verbonden met de schommelende stenen. Toch kan het goed zijn de Engelse lezer te herinneren aan Giraldus Cambrensis, die spreekt over zo’n steen op het eiland Mona, die naar zijn plaats terugkeerde, ondanks alle pogingen om deze op een andere plaats te houden. In de tijd van de verovering van Ierland door Hendrik II bond een zekere graaf Hugo Cestrensis, die zich van de werkelijkheid van dat feit wilde overtuigen, de Monasteen aan een veel grotere en liet ze in zee gooien. De volgende ochtend vond men hem op zijn gewone plaats . . . De geleerde William van Salisbury staat voor het feit in door te getuigen dat deze aanwezig is in de muur van een kerk waar hij hem in 1554 had gezien . . . En dit doet denken aan wat Plinius zei over de steen die door de Argonauten in Cyzicum was achtergelaten en die de Cyziciërs in het Prytaneum hadden geplaatst, ‘waaruit hij verschillende keren wegliep, wat hen dwong hem met lood te verzwaren’ (Nat. Hist. XXXVI, blz. 592) . . . Hier hebben we enorme stenen waarvan de hele oudheid beweerde dat ze ‘leven, bewegen, spreken en uit eigen kracht rondwandelen’. Ze waren blijkbaar ook in staat mensen op de vlucht te jagen, want ze werden routers (to rout, ‘op de vlucht jagen’) genoemd, en Des Mousseaux zegt over alle dat ze profetische stenen zijn en krankzinnige stenen worden genoemd (zie zijn ‘Dieu et les Dieux’, blz. 587). ‘De schommelende steen wordt door de wetenschap aanvaard. Waarom schommelde deze, waarom moest hij dat doen? Men moet blind zijn om niet te zien dat deze beweging weer een middel tot voorspelling was, en dat ze om deze reden ‘de stenen van de waarheid’ werden genoemd.’ (De Mirville, ‘Fétichisme’)25.
   Dit is geschiedenis, het verleden van voorhistorische tijden, en dit is ze ook voor de latere eeuwen. De dracontia, die waren gewijd aan de maan en de slang, waren de oudere ‘stenen van het lot’ van vroegere volkeren, en hun beweging of schommeling was een code die volkomen duidelijk was voor de ingewijde priesters, die als enigen de sleutel hadden om deze af te lezen. Vormius en Olaüs Magnus delen mee dat de koningen van Scandinavië werden gekozen volgens de bevelen van het orakel, ‘waarvan de stem sprak door middel van de enorme stenen die door de kolossale krachten van de oude reuzen waren opgericht’. ‘In India en Perzië’, zegt Plinius, ‘moesten de magiërs haar (de Perzische Oitzoé) raadplegen bij de verkiezing van hun vorsten’ (Nat. Hist., lxxxvii, hfst. LIV); en hij beschrijft (in hfst. XXXVIII, l. ii) een rots die Harpasa in Azië overschaduwt, en die zó is geplaatst dat ‘een enkele vinger haar kan doen bewegen, terwijl het gewicht van het hele lichaam haar weerstand laat bieden’. Waarom zouden dan de schommelende stenen van Ierland of die van Brinham in Yorkshire niet voor dezelfde manier van waarzeggen of voor orakel-mededelingen hebben gediend? De grootste ervan zijn kennelijk overblijfselen van de Atlantiërs; de kleinere, zoals de rotsen van Brinham met enige draaiende stenen er bovenop, zijn kopieën van de oudere lithoi. Als de bisschoppen van de middeleeuwen niet alle tekeningen van de dracontia hadden vernietigd waarop ze beslag konden leggen, dan zou de wetenschap hierover meer weten26. Zoals het er nu voorstaat, weten we dat ze tijdens lange voorhistorische eeuwen overal werden gebruikt, en alle voor dezelfde doeleinden van voorspelling en magie. E. Biot, lid van het Institut de France, publiceerde in zijn Antiquités de France, Deel IX, een artikel dat aantoont dat de Chatam peramba (het Dodenveld of de oude begraafplaats in Malabar) identiek was met de oude graven in Carnac – ‘een verhevenheid en een centraal graf’ . . . ‘Er (in de graven) worden beenderen gevonden’, zegt hij, ‘en Hillwell deelt ons mee dat sommige hiervan enorm groot zijn en dat de bewoners (van Malabar) de graven de woningen van rakshasa’s (reuzen) noemen’. Verschillende steencirkels, ‘die worden beschouwd als het werk van de panch pandava (vijf pandu’s), zoals het geval is met al dergelijke monumenten in India, die in dat land zo talrijk zijn’, bleken, toen zij op aanwijzing van radja Vasariddi werden geopend, ‘menselijke beenderen van heel grote afmetingen te bevatten’. (T.A. Wise, ‘History of Paganism in Caledonia’, blz. 36.)
   Weer heeft De Mirville gelijk in zijn generalisatie, maar misschien niet in zijn conclusies. Omdat de lang gekoesterde theorie dat de meeste dracontia getuigen zijn van ‘grote natuurlijke geologische beroeringen’ (Charlton) en ‘het werk van de Natuur’ (Cambry), nu is ontzenuwd, zijn zijn opmerkingen heel terecht. ‘Voordat men beweert dat zo’n theorie onmogelijk is, adviseren wij de wetenschap na te denken . . . en vooral titanen en reuzen niet langer tot de primitieve legenden te rekenen: want wij hebben hun werken voor onze ogen, en die schommelende stenen zullen tot het einde van de wereld op hun voetstuk blijven slingeren om hen te helpen duidelijker te zien en zich eens en voor altijd te realiseren dat men nog niet helemaal rijp is voor Charenton als men gelooft in wonderen waarvan de hele oudheid getuigt’ (‘Fétichisme’, blz. 288).
   Juist dit kunnen wij niet vaak genoeg herhalen, hoewel de stemmen, zowel van de occultisten als van de rooms-katholieken, zich verheffen als van roependen in de woestijn. Niettemin moet iedereen wel inzien dat de wetenschap op zijn zachtst gezegd even inconsequent is bij haar tegenwoordige beschouwingen als de oude en middeleeuwse theologie bij haar interpretatie van de zogenaamde Openbaring. De wetenschap wil de mens van de pithecoïde aap laten afstammen – een vormverandering die miljoenen jaren zou vereisen – en toch vreest zij de mensheid ouder te maken dan 100.000 jaar! De wetenschap leert de geleidelijke transformatie van de soorten, natuurlijke selectie en evolutie van de laagste vorm tot de hoogste; van weekdier tot vis, van reptiel tot vogel en zoogdier. Toch ontzegt zij de mens, die fysiologisch slechts een hoger zoogdier en een dier is, een dergelijke transformatie van zijn uiterlijke vorm. Maar als de monsterachtige reuzenhagedis van de Wealden de voorouder kan zijn geweest van de kleine leguaan van nu, waarom kan dan de monsterachtige mens van de Geheime Leer niet de hedendaagse mens zijn geworden – de schakel tussen dier en engel? Is deze ‘theorie’ iets meer onwetenschappelijk dan de theorie die de mens een geestelijk onsterfelijk ego ontzegt, een automaat van hem maakt en hem tegelijk rangschikt als een afzonderlijke soort in het stelsel van de Natuur? De occulte wetenschappen zijn misschien minder wetenschappelijk dan de tegenwoordige exacte wetenschappen, maar ze zijn logischer en consequenter in hun leringen. Fysische krachten en natuurlijke affiniteiten van atomen zijn misschien voldoende als factoren om een plant in een dier te transformeren; maar om een volledig bewust mens tot leven te wekken, is meer vereist dan alleen een wisselwerking tussen bepaalde stoffelijke aggregaten en hun omgeving; zelfs als die mens inderdaad niet meer was dan een afsplitsing tussen twee ‘arme neven’ van de orde van de vierhandigen. De occulte wetenschappen erkennen met Haeckel dat het (objectieve) leven op onze bol ‘een logisch postulaat is van de wetenschappelijke biologie’, maar voegen eraan toe dat het verwerpen van een soortgelijke geestelijke involutie, van binnen naar buiten, van het onzichtbare subjectieve geestesleven – dat eeuwig en een beginsel in de Natuur is – zo mogelijk nog onlogischer is dan te zeggen dat het Heelal en alles erin geleidelijk zonder enige hulp van buitenaf is opgebouwd door blinde krachten die inherent zijn aan de stof.
   Stel dat een occultist zou beweren dat het eerste grote orgel van een kathedraal oorspronkelijk op de volgende manier was ontstaan. Eerst was er in de Ruimte een voortgaand en geleidelijk totstandkomen van een organiseerbaar materiaal, dat uitmondde in het voortbrengen van een toestand van de stof, genaamd organische PROTEÏNE. Terwijl deze toestanden in een fase van onstabiel evenwicht waren gebracht, evolueerden zij onder invloed van incidentele krachten langzaam en majestueus tot nieuwe combinaties van gebeeldhouwd en gepolijst hout, van koperen pennen en krammen, van leer en ivoor, luchtpijpen en blaasbalgen. Waarna het orgel, als het alle onderdelen in een harmonieuze en symmetrische machine had ingepast, plotseling het Requiem van Mozart uitgalmde. Dit werd gevolgd door een sonate van Beethoven, enz., ad infinitum; terwijl de toetsen uit zichzelf speelden en de wind door zijn eigen inherente kracht en fantasie in de pijpen blies . . . Wat zou de wetenschap over zo’n theorie zeggen? Toch vertellen de materialistische geleerden ons dat het Heelal op precies zo’n manier werd gevormd, met zijn miljoenen wezens en de mens, zijn geestelijke kroon.
   Wat ook de werkelijke innerlijke gedachte van Herbert Spencer was, toen hij schreef over de geleidelijke transformatie van de soorten, wat hij hierin zegt is van toepassing op onze leer. ‘Gesteld in evolutietermen is elke soort wezen op te vatten als een product van wijzigingen, teweeggebracht door onmerkbare gradaties in een tevoren bestaande soort wezen’ (‘Essays on Physiology’, subj. blz. 144). Waarom zou dan in dit geval de historische mens niet het product zijn van een wijziging van een vooraf bestaande en voorhistorische soort mens, zelfs als men ter wille van de discussie zou veronderstellen dat er niets in hem is dat langer duurt dan of onafhankelijk leeft van zijn stoffelijke lichaam? Maar dit is niet zo! Want wanneer men ons zegt dat ‘organische stoffen in het laboratorium worden voortgebracht door wat wij letterlijk kunstmatige evolutie kunnen noemen’ (Aanhangsel bij ‘Principles of Biology’, blz. 482), dan antwoorden we de beroemde Engelse filosoof, dat alchemisten en grote adepten hetzelfde en in feite veel meer hebben gedaan, vóór de scheikundigen ooit probeerden ‘uit afzonderlijke elementen samengestelde combinaties te bouwen’. De homunculi van Paracelsus zijn in de alchemie een feit en zullen dit waarschijnlijk ook in de scheikunde worden, en dan zal men de Frankenstein van mevrouw Shelley als een voorspelling moeten beschouwen. Maar geen scheikundige of alchemist zal zo’n ‘monster van Frankenstein’ ooit meer dan een dierlijk instinct schenken, tenzij hij inderdaad doet wat aan de ‘voorvaderen’ wordt toegeschreven, namelijk zijn eigen stoffelijke lichaam verlaten en incarneren in de ‘lege vorm’. Maar zelfs dit zou een kunstmatige, geen natuurlijke mens zijn, want onze ‘voorvaderen’ moesten in de loop van de eeuwige evolutie goden worden, vóór zij mensen werden.
   De bovenstaande uitweiding, als het er een is, is een poging ons te rechtvaardigen tegenover de paar denkende mensen van de komende eeuw, die dit misschien lezen. Maar dit verklaart ook waarom de beste en meest spirituele mensen van deze tijd niet langer worden bevredigd door de wetenschap of de theologie; en waarom zij de voorkeur geven aan zo’n ‘psychische rage’ boven de dogmatische beweringen van beide, die niets beters hebben te bieden dan blind geloof in hun respectievelijke onfeilbaarheid. De universele overlevering is inderdaad een veel veiliger gids in het leven. En de universele overlevering zegt dat de oorspronkelijke mens eeuwenlang samen met zijn scheppers en eerste leermeesters – de Elohim – heeft geleefd in de ‘Hof van Eden’ of ‘zaligheid’ van de wereld. Wij zullen de goddelijke leermeesters in Stanza XII behandelen.


      45. DE EERSTE GROTE WATEREN KWAMEN. ZIJ VERZWOLGEN DE ZEVEN GROTE EILANDEN (a).

      46. ALLE HEILIGEN GERED, DE NIET-HEILIGEN VERNIETIGD. MET HEN DE MEESTE REUZENDIEREN, VOORTGEBRACHT UIT HET ZWEET VAN DE AARDE (b).

   (a) Omdat dit onderwerp – de vierde grote vloed op onze bol in deze Ronde – volledig wordt behandeld in de hoofdstukken die op de laatste stanza volgen, zou het alleen maar herhaling zijn als er nu iets meer van werd gezegd. De zeven grote eilanden (dvipa’s) behoorden tot het continent Atlantis. De geheime leringen zeggen dat de ‘zondvloed’ het vierde, het reuzenras overviel, niet als gevolg van hun ontaarding of omdat ze ‘zwart van zonde’ waren geworden, maar eenvoudig omdat dit het lot is van elk continent, dat – evenals alles onder de zon – wordt geboren, leeft en in verval raakt en sterft. Dit gebeurde toen het vijfde Ras in zijn kindertijd was.

   (b) Zo kwamen de reuzen om – de magiërs en tovenaars, voegt de verbeelding van de volksoverlevering eraan toe, maar ‘alle heiligen werden gered’, en alleen de ‘niet-heiligen werden vernietigd’. Dit was echter evengoed toe te schrijven aan de vooruitziende blik van de ‘heiligen’, die het gebruik van hun ‘derde oog’ niet hadden verloren, als aan karma en de natuurwet. Over het daaropvolgende ras (onze vijfde mensheid) zegt de Toelichting:
   ‘Alleen een handvol van die uitverkorenen, van wie de goddelijke leermeesters dat heilige eiland waren gaan bewonen – ‘vanwaar de laatste Heiland zal komen’ – weerhielden de ene helft van de mensheid ervan de andere uit te roeien [zoals de mensheid nu doet. H.P.B.]. Zij (de mensheid) werd verdeeld. Tweederde ervan werd geregeerd door dynastieën van lagere, stoffelijke aardgeesten, die bezit namen van de gemakkelijk toegankelijke lichamen; één derde bleef trouw en verenigde zich met het wordende vijfde Ras – de goddelijke geïncarneerden. Toen de polen zich (voor de vierde keer) bewogen, had dit geen gevolgen voor degenen die werden beschermd, en die zich van het vierde Ras hadden afgescheiden. Evenals de Lemuriërs kwamen alleen de verdorven Atlantiërs om, en ‘werden niet meer gezien’. . . .’

 

Noten:

  1. Dit is misschien de reden waarom zelfs het Paaseiland met zijn verbazingwekkende reusachtige standbeelden – een sprekend getuigenis voor een verzonken continent met een beschaafde mensheid – nauwelijks in de moderne encyclopedieën wordt genoemd. Men vermijdt zorgvuldig het te noemen, behalve in enkele reisverhalen; de hedendaagse wetenschap heeft er een onmiskenbare voorkeur voor om aan het ontwikkelde publiek hypothesen die zijn gebaseerd op persoonlijke liefhebberijen, als goed gefundeerde bewijzen op te dringen en om het gissingen aan te bieden in plaats van kennis, en deze dan ‘wetenschappelijke conclusies’ te noemen. Haar specialisten zullen liever duizend en één tegenstrijdige beschouwingen uitwerken dan een hinderlijk vanzelfsprekend feit erkennen – en tot die specialisten behoren in het bijzonder Haeckel en zijn Engelse bewonderaars en medestanders. Toch herinnert men ons er ernstig aan, dat ‘het autoriteiten zijn’. Wat zou dat? De paus van Rome is ook een AUTORITEIT en nog wel onfeilbaar – voor zijn volgelingen; terwijl de opmerkelijke feilbaarheid van wetenschappelijke beschouwingen bij elke verandering van de maan opnieuw wordt bewezen.
  2. Onze beste hedendaagse romanschrijvers, die geen theosofen en ook geen spiritisten zijn, beginnen niettemin heel psychologische en suggestief occulte dromen te hebben: getuige Louis Stephenson en zijn Dr. Jekyll en Mr. Hyde; er bestaat geen grootser psychologisch essay op occult gebied dan dit. Had de bekende romanschrijver Rider Haggard ook een profetische of eerder een terugblikkende helderziende droom, vóór hij ‘SHE’, schreef? Zijn keizerlijke Kor, de grote dodenstad, waarvan de overlevenden naar het noorden voeren nadat de pest bijna een heel volk had gedood, schijnt in grote trekken uit de onvergankelijke bladzijden van de oude archaïsche geschriften afkomstig te zijn. Ayesha oppert het denkbeeld ‘dat die mensen die naar het noorden voeren, misschien de voorvaderen van de eerste Egyptenaren waren’; en schijnt dan een samenvatting te willen geven van bepaalde brieven van een MEESTER die in ‘Esoteric Buddhism’ worden aangehaald. Want zij zegt: ‘Keer op keer zijn er volkeren, en wel rijke en krachtige volkeren, bedreven in de kunsten, geweest en weer heengegaan en vergeten, zodat er geen herinnering aan hen overblijft. Dit (het volk van Kor) is er maar één uit vele; want de tijd verslindt het werk van de mens, tenzij hij inderdaad grotten graaft zoals het volk van Kor, en dan verzwelgt de zee hen misschien of een aardbeving bedelft hen . . . Toch zijn deze mensen niet volledig vernietigd, denk ik. Enkelen bleven over in de andere steden, want zij hadden veel steden. Maar de barbaren . . . overvielen hen en namen hun vrouwen tot echtgenote, en het ras van de Amahagger van nu is een bastaardgeslacht van de machtige zonen van Kor en zie, het woont in de graven bij het gebeente van zijn voorvaderen (blz. 180, 181.)
        Hier schijnt de knappe romanschrijver de geschiedenis te herhalen van alle nu ontaarde en gevallen rassen van de mensheid. De geologen en antropologen zouden aan het hoofd van de mensheid, als afstammeling van homo primigenius, de aapmens willen plaatsen waarvan ‘ONS TOT DUSVER GEEN FOSSIELE RESTEN BEKEND ZIJN’, maar (die) ‘WAARSCHIJNLIJK verwant was met de gorilla en de orang-oetan van nu’ (Haeckel). In antwoord op zijn ‘waarschijnlijk’ wijzen de occultisten op een andere en grotere waarschijnlijkheid – nl. die in onze tekst wordt gegeven. (Zie boven.)
  3. Zie Stanza II hiervóór. Dit zou een verklaring bieden voor het grote verschil en de variatie tussen de intellectuele vermogens van rassen, volkeren en individuele mensen. Bij het incarneren in en in andere gevallen alleen bij het bezielen van de menselijke voertuigen, die door het eerste hersenloze (manasloze) ras waren ontwikkeld, moesten de incarnerende machten en beginselen kiezen tussen en rekening houden met het vroegere karma van die monaden waarvan zij de verbindende schakel met de lichamen waren geworden. Afgezien daarvan ‘is het vijfde beginsel of de menselijke (intellectuele) ziel bij de meerderheid van de mensheid zelfs nu nog niet volledig ontwikkeld’, zoals in ‘Esoteric Buddhism’ (blz. 30) terecht wordt gezegd.
  4. Krishna, de geïncarneerde logos, zegt in de Bhagavad-gita: ‘De zeven grote rishi’s, de vier voorafgaande Manu’s, die deel uitmaken van mijn natuur, werden uit mijn denkvermogen geboren: aan hen ontsprongen (emaneerden of werden geboren) het menselijke ras en de wereld.’ (Hfst. X, vers 6.)
        Met de zeven grote rishi’s worden hier de zeven grote rupa-hiërarchieën of klassen van Dhyan-Chohans bedoeld. Laten wij bedenken dat de saptarshi (de zeven rishi’s) de bestuurders van de zeven sterren van de Grote Beer zijn en dus van dezelfde aard als de engelen van de planeten of de zeven grote planeetgeesten. In verschillende kalpa’s en rassen waren zij allen wedergeboren, allen als mensen op aarde. Bovendien zijn ‘de vier voorafgaande Manu’s’ de vier klassen van de oorspronkelijke arupa goden – de kumara’s, de rudra’s, de asura’s, enz., van wie men ook zegt dat ze zijn geïncarneerd. Ze zijn niet de prajapati’s, zoals de eersten, maar hun bezielende beginselen – waarvan sommigen in mensen zijn geïncarneerd, terwijl anderen andere mensen eenvoudig tot de voertuigen van hun gedachten hebben gemaakt. Zoals Krishna terecht zegt – dezelfde woorden zijn later herhaald door een ander voertuig van de LOGOS –: ‘Ik ben dezelfde voor alle wezens . . . zij die mij vereren (het zesde beginsel of de intellectuele goddelijke ziel, buddhi, bewustgemaakt door zijn vereniging met de hogere vermogens van manas) zijn in mij en ik ben in hen.’ (Ibid, 29.) De logos, die geen persoonlijkheid is maar het universele beginsel, wordt vertegenwoordigd door alle goddelijke krachten die uit zijn denkvermogen zijn geboren – de zuivere vlammen of, zoals ze in het occultisme worden genoemd, de ‘intellectuele adems’ – die engelen van wie men zegt dat ze zich onafhankelijk hebben gemaakt, d.i. die zijn overgegaan van passieve berusting tot de actieve toestand van zelfbewustzijn. Als men dit inziet, wordt de ware betekenis van Krishna begrijpelijk. Maar zie de uitstekende lezing van Subba Row over de Bhagavadgita (‘Theosophist’, april 1887, blz. 444).
  5. Professor Pengelly, F.R.S. citeert in een lezing professor Oliver en laat hem zeggen ‘dat de tegenwoordige flora van de Atlantische eilanden geen wezenlijk bewijs oplevert voor een vroegere directe verbinding met het vasteland van de nieuwe wereld’, maar hij voegt er tegelijk zelf aan toe, dat ‘in een bepaalde periode van het Tertiair, Noordoost-Azië was verbonden met Noordwest-Amerika, misschien langs de lijn waar zich nu de keten van de Aleoeten uitstrekt’. Zo kan dus alleen de occulte wetenschap de tegenstrijdigheden en aarzelingen van de hedendaagse wetenschap oplossen. Bovendien berust het bewijs voor het bestaan van Atlantis beslist niet alleen op de plantkunde.
  6. Zoals uit de Inleiding blijkt, spreekt het vanzelf dat noch de naam Lemurië, noch zelfs Atlantis de werkelijke archaïsche namen van de verloren continenten zijn, maar door ons zijn aangenomen ter wille van de duidelijkheid. Atlantis was de naam die werd gegeven aan die delen van het verzonken continent van het vierde Ras, die ‘voorbij de zuilen van Hercules’ lagen, en die na de algemene ramp boven water waren gebleven. Het laatste overblijfsel hiervan was ongeveer 11.000 jaar geleden het Atlantis van Plato of ‘Poseidonis’ (een alternatief of liever een vertaling van de werkelijke naam). De juiste namen van het merendeel van de landen en eilanden van beide continenten worden in de Purana’s gegeven; maar ze speciaal te noemen, zoals ze voorkomen in andere oudere boeken, bijv. de Surya Siddhanta, zou te lange uiteenzettingen nodig maken. Als het schijnt dat beide in vroegere geschriften te vaag zijn onderscheiden, moet dit worden toegeschreven aan onzorgvuldig lezen en onvoldoende nadenken. Als eeuwen na heden Europeanen worden aangeduid als Ariërs, en een lezer verwart hen met de Hindoes en deze weer met het vierde Ras, omdat zij (sommigen van hen) in het oude Lanka wonen – zal dat niet de schuld zijn van de schrijfster.
  7. Zie het artikel van professor Dana, ‘American Journal of Science’, III, blz. 442-3; professor Winchell, ‘World Life’; en andere boeken over geologie.
  8. Bij het bespreken van het periodieke stijgen en dalen van de equatoriale en poolgebieden en van de daaruit voortvloeiende veranderingen van het klimaat zegt Winchell (professor in de geologie in Michigan): ‘Omdat de hier beschouwde bewegingen cyclisch zijn, zouden dezelfde omstandigheden zich telkens opnieuw moeten voordoen; en daarom zou dezelfde fauna telkens weer in hetzelfde gebied terugkeren, met tussenpozen waarin een andere fauna optreedt. Voortgaande sedimentatie zou de herinneringen aan zulke veranderingen in de fauna bewaren; en men zou verschijnselen kunnen waarnemen van ‘kolonies’, ‘terugkeer’ en andere verplaatsingen van de fauna in de verticale en horizontale verspreidingen van fossiele overblijfselen. Met deze verschijnselen zijn de geologen goed bekend.’ (‘Effects of Astronomical changes’.)
  9. ‘Halfvolgroeide kinderen’ in vergelijking met hun reusachtige broeders in andere zones. Hetzelfde geldt nu voor ons.
  10. Dit heeft betrekking op Lemurië.
  11. Er zijn natuurlijk andere cyclussen, cyclussen binnen cyclussen – en juist dit maakt de berekeningen van gebeurtenissen betreffende de rassen zo moeilijk. De omloop van de ecliptica wordt in 25.868 jaar voltooid. En men heeft voor onze aarde berekend dat het nachteveningspunt jaarlijks vijftig minuten en tien seconden terugloopt. Maar binnen deze cyclus is er nog een andere. Men zegt dat, ‘omdat de apsis het jaarlijks met een snelheid van elf minuten en vierentwintig seconden tegemoet gaat’ (zie het artikel over sterrenkunde in de Encyclopaedia Britannica), ‘in honderdvijftienduizend driehonderd en twee (115.302) jaar een hele omwenteling zou zijn voltooid. Het tot elkaar naderen van het nachteveningspunt en de apsis is de som van deze bewegingen, eenenzestig minuten vierendertig seconden, en daarom keert het nachteveningspunt in 21.128 jaar naar dezelfde plaats ten opzichte van de apsis terug’. We hebben deze cyclus in Deel I van Isis Ontsluierd genoemd in verband met andere cyclussen. Elk ervan heeft een duidelijke invloed op het ras dat in die tijd leefde.
  12. Zie aan het eind van deze stanza ‘Over de duur van tijdperken en cyclussen’.
  13. History of English Literature’, blz. 23.
  14. Geciteerd in ‘Atlantis’, enz., blz. 132.
  15. Zie ook De Mirville, ‘Pneumatologie des Esprits’, Deel III, blz. 55.
  16. Het eerste en het tweede beeld hebben evenals het standbeeld van Bartholdi een ingang aan de voet, die via een in de rots uitgehouwen wenteltrap leidt naar het hoofd van de standbeelden. De bekwame Franse archeoloog en antropoloog, markies De Nadeylac, merkt in zijn boek terecht op, dat er in de oude of in de moderne tijden nooit een gebeeldhouwde menselijke figuur was die groter was dan het eerste van deze twee beelden.
  17. Pierres animées et parlantes, blz. 283. Théologie de la Pierre, 270.
  18. Saturnus is Kronos – de ‘tijd’. Het door hem verslinden van Jupiter-lapis kan eens een voorspelling blijken te zijn. ‘Petrus (Cephas, lapis) is de steen waarop de kerk van Rome is gebouwd’, verzekert men ons. Maar Kronos zal deze even beslist eens ‘verzwelgen’ als hij Jupiter-lapis en nog grotere figuren heeft verslonden.
  19. Dezelfde natuurlijk als de ‘zwakke stem’, die Elia hoorde na de aardbeving bij de ingang van de grot. (1 Koningen xix, 12.)
  20. De schommelende of Logan-stenen dragen verschillende namen. De Kelten hadden hun clacha-brath, de ‘lots- of oordeelssteen’; de waarzegsteen of ‘steen van het godsoordeel’ en de orakelsteen; de bewegende of bezielde steen van de Feniciërs; de rommelende steen van de Ieren. Bretagne heeft zijn ‘pierres branlantes’ in Huelgoat. Zij worden in de oude en de nieuwe wereld gevonden: op de Britse eilanden, in Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland, Duitsland, enz., en ook in Noord-Amerika. (Zie Hodson, ‘Letters from North America’, Deel II, blz. 440.) Plinius spreekt over verschillende ervan in Azië (Hist. Nat. Lib. I, c. 96); en Apollonius Rhodius weidt uit over de schommelende stenen en zegt dat het ‘stenen zijn, geplaatst op de top van een grafheuvel, en zo gevoelig dat ze door de geest in beweging zijn te brengen’ (Arth. Index van Ackerman, blz. 34), wat ongetwijfeld betrekking heeft op de oude priesters die zulke stenen door middel van wilskracht en op een afstand lieten bewegen.
  21. Zie onder andere ‘History of Paganism in Caledonia’, door dr. Th.A. Wise, F.R.A.S., enz.
  22. Cham was evenmin een titan of reus als Sern en Jafeth. Ze zijn òf allen Ark-titanen, zoals Faber zegt, òf mythen.
  23. Diodorus Siculus beweert dat in de tijd van Isis alle mensen die door de Hellenen reuzen werden genoemd, een grote gestalte hadden. ‘Οἰ δ’ὲν Αἰγύπτῳ μυθολογοῦσι κατὰ τὴν Ἰσιδοϛ ἡλικίαν γεγονέναι τίναϛ πολυσωμάτουϛ.’
  24. ‘Het is moeilijk’, schrijft Creuzer, ‘om in de bouwwerken van Tiryns en Mycenae geen planetaire krachten te vermoeden, waarvan men veronderstelt dat ze door hemelse machten worden bestuurd, analoog aan de beroemde Dactyli’. (Pelasges et Cyclopes.) Tot op heden weet de wetenschap niets over de cyclopen. Men veronderstelt dat ze alle zogenaamde ‘cyclopische’ werken hebben gebouwd, voor de oprichting waarvan verschillende regimenten reuzen nodig waren, en – er waren er maar zevenenzeventig in totaal (ongeveer honderd, denkt Creuzer). Zij worden ‘bouwers’ genoemd, en het occultisme noemt ze de INWIJDERS, die door het inwijden van enkele Pelasgen de eerste steen legden voor de ware VRIJMETSELARIJ. Herodotus brengt de cyclopen in verband met Perseus, ‘de zoon van een Assyrische demon’ (I, VI, blz. 54). Raoul Rochette ontdekte dat Palaemon, de cycloop, voor wie een heiligdom werd opgericht, ‘de Tyrische Hercules was’. In elk geval was hij de bouwer van de heilige zuilen van Gadir, die waren bedekt met geheimzinnige tekens, waartoe Apollonius van Tyana in zijn tijd als enige de sleutel bezat; en met figuren die men nog steeds kan aantreffen op de muren van Ellora, de reusachtige ruïnes van de tempel van Visvakarma, ‘de bouwer en kunstenaar van de goden’.
  25. Men zegt dat Richardson en Barth verbaasd waren toen ze in de Saharawoestijn dezelfde trilithische overeind staande stenen aantroffen die ze in Azië, Circassië, Etrurië en in het hele noorden van Europa hadden gezien. De beroemde archeoloog Rivett-Carnac B.C.S. uit Allahabad toont dezelfde verbazing als hij de beschrijving vindt die Sir J. Simpson geeft van de bekervormige tekens op stenen en rotsen in Engeland, Schotland en andere westerse landen – ‘die een buitengewone overeenkomst vertonen’ met ‘de tekens op de blokken trapgesteente die de grafheuvels bij Nagpur (de stad van de slangen) omringen’. De eminente geleerde zag hierin ‘nog een buitengewone aanvulling op de vele bewijzen . . . dat een tak van de nomadische stammen, die op een vroeg tijdstip Europa overstroomden, ook in India doordrong’. Wij zeggen dat Lemurië, Atlantis en zijn reuzen en de vroegste rassen van het vijfde Wortelras alle de hand hadden in deze betyles, lithoi en ‘magische’ stenen in het algemeen. De bekervormige tekens, die door Sir J. Simpson werden opgemerkt en de ‘in het oppervlak uitgeholde gaten’ in rotsen en monumenten die door Rivett-Carnac werden aangetroffen, ‘van verschillende grootte, variërend van zes duim tot anderhalve duim in doorsnee en één tot anderhalve duim diep . . . in het algemeen loodrecht onder elkaar gerangschikt, met veel wisselingen van het aantal, de grootte en de rangschikking van de bekers’ – zijn slechts geschreven VERSLAGEN van de oudste rassen. Wie de afbeeldingen van zulke tekens in ‘Archaeological Notes on Ancient Sculpturing on Rocks in Kumaon, India, etc.’ aandachtig bestudeert, zal hierin de meest primitieve stijl van aantekenen of verslag geven ontdekken. Iets dergelijks werd door de Amerikaanse uitvinders van de Morse-code voor de telegrafie gebruikt. Dit herinnert aan het Oghamschrift, een combinatie van lange en korte halen, zoals Rivett-Carnac ze beschrijft, ‘gegrift in zandsteen’. Zweden, Noorwegen en Scandinavië zijn vol van zulke geschreven verslagen; de runetekens hebben de bekervormige tekens en de lange en korte halen opgevolgd. In ‘Infolio van Johannes Magnus’ ziet men de afbeelding van de halfgod, de reus Starchaterus (Starkad, de leerling van Kroszharsgrani, de tovenaar) die onder elke arm een enorme steen houdt, bedekt met runetekens; en Starkad ging volgens de Scandinavische legende naar Ierland en verrichtte in het noorden en zuiden, oosten en westen wonderbaarlijke daden. (Zie ‘Asgard and the Gods’.)
  26. Charton, de schrijver van ‘Voyageurs anciens et modernes’, geciteerd door De Mirville.

 


De Geheime Leer 2:357-95

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag